Vanaf 1 januari 2000 wordt dit ras eerst als Great Japanese Dog en sinds 1 januari 2006 als American Akita door de F.C.I. erkend. Daarmee is een einde gekomen aan de jarenlange discussie over het dulden van twee types binnen één ras en wel het Japanse type, de “Akita“ en het Amerikaanse type, nu de “American Akita”.
De “American Akita” is een Japanse jachthond, van oorsprong een jager op groot wild, in het noordelijke bergachtige deel van Japan.
Het ras vertoont een fantastische combinatie van waardigheid met een vriendelijke aard, moed, gehoorzaamheid, aanhankelijkheid en trouw. Hij geeft het beeld van een grote, krachtige, keesachtige hond, met veel substantie en zware botten.

Karakter:
AA's zijn evenwichtige honden met een verstandige en bedachtzame manier van doen. Ze zijn intelligent en vriendelijk, maar tevens enigszins onafhankelijk en soms ook dominant. Ze zijn uitstekende waakhonden. Is de nood aan de man dan springen ze zeer overtuigend voor hun mensen in de bres. Het zit echter niet in hun aard om blafferig, overattent en opgewonden te doen; een AA lijkt altijd onverstoorbaar in zijn doen en laten en maakt zich niet snel druk. Ze zijn zeer trouw aan hun eigenaar en het gezin en ook redelijk gehoorzaam, maar ze stellen zich eerder vriendschappelijk dan slaafs op. Net als de Japanners zelf heeft dit ras een bepaalde waardigheid en beheersing over zich die als ondoorgrondelijk omschreven kan worden.

Sociale aanleg:
De meeste AA’s hebben geen boodschap aan mensen die ze niet kennen en ze nemen ten opzichte van hen een wat gereserveerde of waakzame houding aan. Ze zijn niet uitgesproken sociaal met andere honden. Soms stellen ze zich dominant op ten opzichte van seksegenoten. Vanwege het jachtinstinct moeten ze goed worden gesocialiseerd met katten en andere huisdieren. Is hieraan voldaan dan gaan ze redelijk goed om met deze dieren. Doorgaans kunnen ze het goed met kinderen vinden. De AA werpt zich echter niet op als speelkameraadje, eerder als beschermer.

Verzorging:
Honden van dit ras maken twee maal per jaar een hevige verharingsperiode door, waarbij een herderharkje een nuttig hulpmiddel blijkt om de loskomende beharing eenvoudig uit de vacht te halen. Buiten de verharingsperiode is het toereikend om de vacht eens per week door te borstelen.

Opvoeding:
In de handen van een eigenaar die stevig in zijn schoenen staat en consequent is, kan een AA redelijk veel leren. De eigenaar moet wel enigszins doortastend te werk gaan. Dit is niet het type hond waarbij u door slaan, schreeuwen en dwang veel respect afdwingt. De hond presteert het beste als de oefeningen niet te lang achtereen herhaald worden. Ze moeten de hond uitdaging bieden. AA’s zijn redelijk gehoorzaam, maar ze blijven trouw aan hun eigen inzichten.

Beweging:
De AA heeft een groot uithoudingsvermogen. Zijn bewegingsbehoefte is bovengemiddeld. Driemaal daags een ommetje is beslist niet toereikend om deze hond in goede conditie te houden. Trek er dan ook regelmatig met de hond opuit. AA’s lenen zich niet voor balspelletjes en zijn doorsnee ook niet dol op apporteerspelletjes en dergelijke. In huis zijn AA’s doorsnee rustig.



RASSTANDAARD van de “AMERICAN AKITA”


Herkomst:
De oorsprong is gelijk aan die van de Akita Inu (Japan)
In de USA is men na de Tweede Wereldoorlog verder gaan fokken met het type van halverwege het Akita-terugfokprogramma in Japan.
In de FCI landen is dit type sinds 1 januari 2000 erkend als “Great Japanese Dog” en sinds 1 januari 2006 heet het ras dan weer “American Akita”, zoals in eerste instantie bij de splitsing door veel leden van de FCI is voorgesteld.

Algemeen:
Een grote, sterk gebouwde, in verhouding goed uitgebalanceerde hond met veel substantie en zwaar beenwerk.

Karakter:
Vriendelijk, oplettend, ontvankelijk, intelligent, waardig, moedig en dominant t.o.v. andere honden.

Hoofd:
Het brede, krachtige hoofd vormt een stompe driehoek met diepe snuit, zonder rimpels.

Lippen:
Zwart en strak. Vleeskleurige lippen alleen bij witte honden toegestaan.

Tong:
Roze, zonder vlekken.

Snuit:
Breed, diep en vol.

Neus:
Breed en zwart. Vleeskleurige neus alleen toegestaan bij witte honden, maar zwart geniet altijd de voorkeur.

Gebit:
Schaargebit heeft de voorkeur, maar een tanggebit is aanvaardbaar.

Ogen:
Donkerbruin, in verhouding klein, bijna driehoekig van vorm.
Oogleden zwart en aangesloten.
Vleeskleurige oogleden alleen toegestaan bij witte honden.

Oren:
Krachtig opstaande oren en in verhouding klein tot de rest van het hoofd.
Als het oor naar voren gevouwen wordt om de lengte te meten, dan zal de punt het bovenooglid raken. De oren zijn driehoekig, licht gerond bij de punt, breed bij de aanzet en niet te laag aangezet. De oren voorwaarts gedragen, bijna in lijn met de nek, is karakteristiek voor het ras.

Hals:
Dik en gespierd, met minimale keelhuid en in verhouding kort.

Lichaam:
Langer dan hoog (reuen 9 : 10 / teven 9 : 11).
Huid niet te dun, noch te strak, noch te los.

Ledematen:
Rechte voorbenen, voorzien van zwaar “bone”.
Sterk gespierde achterhand met een matige hoeking.

Voeten:
Rechte kattenvoeten.

Staart:
Groot, vol en goed bedekt met haar, hoog aangezet en over de rug of voor driekwart deel tegen de flanken gedragen. Enkele en dubbele krul toegestaan.
De lengte van de staart moet tot aan de sprong reiken.

Gangwerk:
Krachtig met matig uitgrijpen en stuwend.

Vacht:
De ondervacht is dik, zacht, dicht en korter dan de bovenvacht.
De bovenvacht is recht, hard en ietwat uitstaand. De lengte van het haar mag op de schoft en romp ca. 5 cm. zijn, dat is een weinig langer dan op de rest van het lichaam, behalve de staart, waar de vacht weer langer en dikker is.

Kleur:
Elke kleur is toegestaan: rood, geel, licht-bruin, wit, met of zonder masker.
Ook gestroomd of vlekken op een witte ondergrond (pinto) is toegestaan.

Maat:
De schofthoogte van reuen zit tussen de 66 en 71 cm.
De schofthoogte van teven tussen de 61 en 66 cm.

Gewicht:
Het gewicht van reuen ca. 50 kg. / Het gewicht van teven ca. 40 kg.

Fouten:
Elke afwijking van voorgaande punten moet als een fout worden beschouwd en de beoordeling van de ernst van de fout moet in verhouding staan tot de mate waarin de fout zich voordoet.
- Teefachtige reu of reuachtige teef.
- Ontbrekende tanden (behalve 2 van de PM1 en/of M3)
- Te smal hoofd.
- Gevlekte tong.
- Te lichte ogen.
- Te korte staart.
- Naar buiten of binnen draaiende ellebogen.
- Enige aanwijzing tot gegolfde haren of bevedering
- Schuwheid (angst).
- Dominant agressief.

Ernstige fouten kunnen zijn:

- Te licht van substantie.
- Te licht van “bone”.

Diskwalificerende fouten kunnen echter zijn:
- Vlinderneus of volledig gebrek aan pigment op de neus (behalve bij witte honden).
- Tip- of hangende oren.
- Sikkel-, niet gekrulde- of hangende staart.
- Onder- en bovenvoorbijter.
- Reuen met een schofthoogte minder als 63,5 cm. en teven minder als 58,5 cm.

N.B.: Reuen dienen verder twee ogenschijnlijk normale testikels, volledig ingedaald in het scrotum, te hebben.

( Informatie bron KARIUDOGOYA'S )