Ras: Appenzeller Sennenhond
Oorsprong: Zwitserland
Gehouden als: Waak en gezinshond
Grootte: Reuen 52-56 cm en teven 50-54 cm
Gewicht: 25-32 kg
Kleur: Zwart of havanabruin met roestbruine en witte aftekeningen
Vachtsoort: Kort, dik en glanzend met dichte onderwol
Gem. Leeftijd: 11-13 Jaar
Kenmerken:
- Kleine poten
- Snuit loopt spits toe
- Kleine en ronde ogen
- Gekrulde staart
- Robuust gebouwd
Herkomst: Een van de vier Zwitserse Sennenhondenrassen (Alpenhonden). Genoemd naar een plaats in de streek Appenzell. Zeer oud ras, afstammend van de grote, zware doggen die de Romeinse legers meenamen om het meegebrachte vee te drijven.
Algemeen voorkomen: Krachtige, bijna vierkante hond, gemiddeld groot, levendig en beweeglijk.
Vacht: Glanzende, korte, vaste, aanliggende vacht met zwarte of bruine ondervacht. Zwarte basiskleur met roestbruine en witte aftekeningen. Witte bles, hals en voorzijde borst en wit op alle voeten en staartpunt. Roestbruine aftekeningen altijd tussen het zwarte en het witte gedeelte.
Gebruik: Oorspronkelijk veedrijver, herders-, trek- en waakhond. Nu voornamelijk familiehond.
Gezondheid: Fokdieren worden onderzocht op het voorkomen van heupdysplasie en moeten een rasgedragstest hebben doorstaan.
Aard: Zelfverzekerd, niet bang en van nature alert.






