U bevindt zich hier: D Dwergschnauzer

Ras: Dwergschnauzer
Andere naam:
Zwergschnauzer
Oorsprong:
Duitsland
Gehouden als:
Waak en gezinshond
Grootte:
Ongeveer 30-35 cm
Gewicht:
6-7 kg
Kleur:
Peper en zout , zwart, wit en zwart met zilveren aftekeningen
Vachtsoort:
Ruwe en harde bovenvacht en zachte ondervacht
Gem. Leeftijd:
14 Jaar

Nieuwe pagina 1

Kort historisch overzicht: Rond het jaar 1900 ontstond in de omgeving van Frankfurt am Main een Schnauzerdwerg, die toen nog ruwhaar Dwergpinscher werd genoemd. Het was geen gemakkelijke opgave, uit de verschillende verschijningsvormen, maten en types, de wirwar van harde , gekrulde, wollige en zijdeachtige vachten een hond te fokken, die in uiterlijk en in zijn karakter op zijn grote broer, de Schnauzer, moest lijken.

Algemeen voorkomen: Klein, krachtig, eerder gedrongen dan slank, elegant, de verkleinde versie van de Schnauzer, zonder de voor dwergrassen typische gebreken.

Gedrag/karakter: Zijn karaktertrekken komen overeen met die van de Schnauzer en worden beïnvloed door het bij een dwerghond behorende temperament en gedrag. Schranderheid, onverschrokkenheid, uithoudingsvermogen en waakzaamheid maken de Dwergschnauzer tot een prettige huishond en ook als waak- begeleidingshond, die zonder problemen in een kleinere woning kan worden gehouden.

Hoofd:

- Schedel: De schedel is krachtig en lang gestrekt, zonder al te nadrukkelijk afgetekende achterhoofdsknobbel. Het hoofd moet bij de substantie van de hond passen. Het voorhoofd is vlak en verloopt zonder rimpels parallel ten opzichte van de neusrug.
- Stop: Wordt door de wenkbrauwen duidelijk benadrukt.
- Neus: De neusspiegel is goed gevormd en altijd zwart
- Voorsnuit: Eindigt in een afgestompte wig. De neusrug is recht.
- Lippen: Zwart, strak en glad aanliggend aan de kaken, mondhoek gesloten.
- Kaken / Gebit: Krachtige boven- en onderkaak. Het volledige schaargebit (42 elementen) is krachtig, goed sluitend en zuiver wit. De kauwspieren zijn goed ontwikkeld, maar mogen niet zo sterk tonen dat de bakken de rechthoekige vorm (met baard) verstoren.
- Ogen: Middelgroot, ovaal, naar voren gericht, donker met levendige uitdrukking. Oogleden goed gesloten.
- Oren: Hangoren, V-vormig, hoog aangezet, de binnenkant tegen het hoofd aanliggend. Gelijkmatig gedragen waarbij de parallelle vouwen niet boven de schedel mogen uitkomen.

Hals: De gespierde nek heeft een naar boven verlopende welving. De hals gaat harmonisch over in de schoft. Krachtig geplaatst, slank, edel gebogen en bij de substantie van de hond passend. De keelhuid ligt straks aan, zonder plooien.

Lichaam:
- Schoft: Vormt het hoogste punt van de rug.
- Bovenbelijning: Van de schoft naar achteren, licht hellend verlopend.
- Rug: Krachtig, kort en stevig.
- Lendenen: Kort, krachtig en diep. De afstand van de laatste rib tot aan de heup is kort, waardoor de hond een gedrongen verschijning heeft.
- Bekken: Licht afgerond, vloeiend overgaand in de staartaanzet.
- Borst: Matig breed, in doorsnee ovaal, tot de elleboog reikend. De voorborst wordt door het borstbeen duidelijk markant gevormd.
- Onderlijn en buik: Flanken niet bovenmatig opgetrokken, met de onderzijde van de ribbenkast een mooie gebogen lijn vormend.

Staart: Natuurlijke staart


Ledematen:

Voorhand
- Algemeen; de voorbenen zijn van voren bezien, stevig, recht en niet nauw gesteld. De onderarmen staan, van opzij gezien, recht.
- Schouders: Het schouderblad ligt stevig tegen de ribbenkast aan, is aan beide kanten van het schouderblad goed gespierd en steekt boven de doornuitsteeksels van de rugwervels uit. Zo schuin en goed teruggelegen als mogelijk bedraagt de hoek tot de horizontaal ongeveer 50°.
- Opperarm: Goed aanliggend, krachtig en gespierd, hoek tot het schouderblad ongeveer 95-105°.
- Ellebogen: Goed aanliggend, noch naar binnen, noch naar buiten uitdraaiend.
- Onderarm: Van alle kanten bezien volledig recht, krachtig ontwikkeld en goed bespiert.
- Polsgewricht: Krachtig, stabiel, slechts onmerkbaar van de structuur van de onderarm afwijkend.
- Voormiddenvoet: Van voren bezien loodrecht, van opzij bezien iets schuin geplaatst krachtig en licht verend.
- Voeten: Kort en rond, tenen nauw tegen elkaar aan liggend en gewelfd (katvoet), met korte, donkere nagels en stevige voetzolen.

Achterhand:
- Algemeen; Van opzij bezien schuin geplaatst, van achteren bezien parallel verlopend, niet nauw gesteld.
- Bovenbeen: Matig lang, breed en krachtig gespierd.
- Knie: Noch naar binnen, noch naar buiten geplaatst.
- Onderbeen: Lang en krachtig, pezig, overgaand in het krachtig spronggewricht.
- Spronggewricht: Duidelijk gehoekt, krachtig, stabiel, noch naar binnen, noch naar buiten gericht.
- Achtermiddenvoet: Kort en staat loodrecht op de bodem.
- Voeten: Tenen kort, gewelfd en nauw tegen elkaar aan liggend, nagels kort en zwart.

Gangwerk:
De gang is elastisch, elegant, wendbaar, vrij en met ruime tred. De voorbenen grijpen zover mogelijk uit, de achterhand geeft ver uitgrijpend en verend de nodige stuwkracht. Het voorbeen van de ene en het achterbeen van de andere zijde worden gelijktijdig naar voren geplaatst. Rug, spierbanden en gewrichten zijn vast.

Huid:
Structuur: Het haar moet draadachtig hard zijn en dicht ingeplant. Het bestaat uit een dicht onderwol en het in geen geval te korte dekhaar, dat goed aanligt. Het dekhaar is ruw, lang genoeg om de textuur aan te kunnen tonen en is noch ruig, nog golvend. Op de schedel en aan de oren kort. Als typisch kenmerk geldt een niet te zachte baard aan de voorsnuit en borstelige wenkbrauwen, die de ogen licht overschaduwen.

( Informatie bron of Roxy's Pride )