Ras: Fox Terriër Draadhaar
Oorsprong: Groot-Brittannië
Gehouden als: Gezelschapshond
Grootte: 38,5-39,5 cm
Gewicht: 7-8 kg
Kleur: Wit, wit/taan en wit/zwart
Vachtsoort: Sterke en dichte draadharige vacht
Gem. Leeftijd: 13-14 Jaar
Geschiedenis van de Draadhaar Foxterrier:
Was ruim een halve eeuw geleden de Gladhaar Foxterrier meer bekend, tegenwoordig
behoort de draadhaarvariëteit tot de populairste rassen ter wereld. Wanneer de
eerste Draadhaar Foxterrier geboren is, weet men niet precies. Men vermoedt dat
dit Old Tip is geweest, die omstreeks 1866 is gefokt door een zekere Tom Kendall,
Master of Foxhounds in het graafschap Yorkshire. Deze hond wordt dan ook als de
stamvader beschouwd van de hedendaagse Draadhaar Fox. Engeland wordt dus
beschouwd als de bakermat, maar ook op het vasteland van Europa en in Amerika
staat de fokkerij van
Draadhaar Foxterriers op hoog peil en zij behoren zeker
tot de best gefokte rassen ter wereld.
In 1913 werd in Engeland de Wire Foxterrier Accociation opgericht, die ten doel
heeft de belangen van de Draadhaar te behartigen en die tevens de raspunten
vaststelde. In Nederland volgde in 1916 de oprichting van de Nederlandse
Foxterrier Club die, daar de Gladhaar alleen in beharing van de Draadhaar
verschilt, ook deze variëteit behandelt.De beharing van de Draadhaar moet hard
aanvoelen als een kokosmat; in geen geval mag de hond wollig of zacht haar
hebben. De harde, stugge haren moeten zo dicht tezamen groeien, dat de huid niet
zichtbaar is als men de beharing met de vingers scheidt. Aan de voet van deze
harde, stugge haren groeit korter, fijner en zachter haar, het zogenaamde
onderhaar. Het haar op de flanken is zachter dan op de rug en de achterbenen. De
hardste beharingen hebben de neiging licht gegolfd te zijn, maar gekruld haar is
af te keuren. Het haar op de boven- en onderkaak is zachter en moet lang en vol
genoeg zijn om er toe bij te dragen de snuit een krachtig aanzien te geven. Het
haar op de voorbenen moet evenals dat op de snuit dicht geplant zijn.Meer info?
Klik hier.
Karakter:
De Foxterrier is door de jaren heen iets gemoedelijker geworden. Maar zo gauw
als hun jachtinstinct opgewekt wordt dan zie je de oude vlam weer bovenkomen.
Het karakter kun je het best omschrijven als: eigenwijs, vrolijk, nieuwsgierig,
een enorm doorzettingsvermogen, snelheid, leergierig, onafhankelijk, zelfbewust
en voortdurend op de loer om te gaan jagen op ongedierte.
De Foxterrier denkt vaak dat de hele wereld om hem draait. Met zijn innemende
blik en de vrolijke manier van lopen, wil men dat nog wel eens vergeten.
De Foxterrier wil graag de baas spelen in en buiten het huis. Ze zijn ontzettend
attent op alles wat er in hun omgeving gebeurt. Hij schroomt geen vechtpartij,
integendeel hij lokt graag en met overgave vechtpartijtjes uit. Zijn pittige,
zelfbewust hoge houding roept even vaak de strijdlust van andere honden op en
zonder enige schroom gaat hij zo'n uitdaging graag aan. De Foxterrier is
natuurlijk niet alleen maar een snel te provoceren hond, hij heeft ook een
enorme onderzoekingsdrift en bergen energie. Als men de Foxterrier een
uitlaatklep geeft voor zijn energie dan leid je juist dat strijdlustige in
juiste banen.
De Foxterrier zal lange wandelingen en veel afleiding in de vorm van moderne
hondensport, zoals gehoorzaamheid, obedience, flyball en behendigheid zeer
waarderen. Zo kan men ook zijn intelligente en heldere geest bezighouden en
daardoor zijn temperamentvolle karakter stroomlijnen. Wanneer men de Foxterrier
geen uitdagingen geeft kunnen ze ontaarden in nerveuse, agressieve en
prikkelbare Foxen. De uitdagingen kunnen variëren van: naast de fiets rennen,
trainen (behendigheid, flyball, gehoorzaamheid, breitensport etc.,) veel spelen,
lange
wandelingen en veel doen in huis.
Als je als eigenaar zijn karakter op de juiste waarde weet te schatten en kalm
en bedaard, maar wel zelfverzekerd zijn opvoeding ter hand neemt dan heb je een
fantastische Foxterrier als kameraad.
Vachtverzorging:
Algemeen:
Bij de Foxterriër zijn er twee verschillende rastypen. De gladhaar en de
draadhaar. De gladhaar behoeft minder vachtverzorging dan de draadhaar. Een
gladhaar moet je regelmatig borstelen en ga je shows met je Fox bezoeken dan
moet ook de gladhaar in model gebracht worden.
Met een draadhaar heb je meer werk, behalve kammen en borstelen moet je een
draadhaar ook ongeveer 4 x per jaar laten trimmen. Twee grote en twee na
trimbeurten, wat moet gebeuren door een ervaren trimmer(ster) of zelf aanleren.
De vacht behoort met de hand of trimmes te gebeuren. Scheren of knippen is uit
den boze. Een draadhaar zal door het scheren en knippen zijn kleur verliezen.
Wil je een draadhaar uitbrengen op een show dan zal deze door een ervaren
showtrimmer getrimd moeten worden.
Volwassen Foxterrier Draadhaar:
Een volwassen Foxterrier heeft elke week wel een borstel en kam beurt nodig. Er
zijn verschillende soorten borstels en kammen in de handel. U kunt als borstel
het beste een pinnenborstel nemen. Deze gebruikt u niet als een echte borstel. U
drukt de borstel zachtjes in de haar en met een kleine beweging iets naar voren
en dan gelijk van de huid af naar boven. U maakt een soort pluk beweging. U
maakt een soort schep beweging. U gebruikt deze borstel voornamelijk voor de rug
en voor het uitborstelen van de poten. Met de kam kunt u de hele hond doen.
Foxterrier hebben snel veel haren in de oren, controleer dit 1 x in de maand en
ziet u te veel haren groeien haalt u ze er met een speciale tang eruit.
Controleer ook regelmatig zijn nagels, als ze te lang worden moet u ze knippen.
Er zijn speciale nageltangetjes in de handel waarmee u rustig de nagels van uw
Fox kunt knippen. Let er wel op dat u niet in het leven knipt want dat doet niet
alleen ontzettend zeer maar het bloed ook ontzettend. Het donkere gedeelte van
de nagel (beetje rood) is het leven. De dierenarts kan ook de nagels knippen bij
zijn jaarlijkse controles van uw Fox.
Rasstandaard Foxterrier draadhaar:
Hoofd en schedel:
Het schedeldak moet bijna vlak zijn, licht hellen en geleidelijk versmallen naar
de ogen. In een goed harmonieus hoofd moet er weinig verschil in lengte zijn
tussen schedel en voorsnuit. Wanneer de voorsnuit echter aanmerkelijk korter is,
duidt dit op een fout, want het hoofd lijkt zwak en niet af (unfinished).
Hoewel de voorsnuit geleidelijk van het oog naar de neus moet versmallen en iets
moet invallen bij de overgang van de voorsnuit naar de schedel, mag deze geen
schotelvormige indruk maken, noch invallen onder de ogen, waar een mooie
opvulling, die fijn besneden moet zijn, hoekigheid moet voorkomen, terwijl goed
ontwikkelde kaakbeenderen, bezet met sterke witte tanden, de gewenste indruk aan
de voorsnuit moeten geven.
Een buitensporige ontwikkeling van kaakbeenderen of spieren is onnodig en minder
aangenaam om te zien, daar deze verantwoordelijk zijn voor een ronde
wangcontour, aangegeven met de naam 'cheeky' (bakken).
De neus moet zwart zijn.
Ogen:
Moeten donker van kleur en zijn, tamelijk klein en niet uitpuilen, vol vuur,
leven en schranderheid, zoveel mogelijk cirkelvormig en niet te ver uit elkaar
liggen. Alles wat naar een geel oog zweemt is zeer verwerpelijk.
Oren:
Moeten klein zijn, in de vorm van een V en matig dik, de lellen goed gevouwen en
voorwaarts, dicht langs de wangen vallen. De bovenste lijn van het gevouwen oor
moet goed boven het schedeldak uitkomen. Een hangend oor dat dood langs het
hoofd hangt als dat van een drijfhond, behoort niet bij de Terrier, terwijl een
halfstaand oor nog minder gewenst is.
Gebit:
Zowel de boven- als de onderkaak moet sterk en gespierd zijn, de tanden zoveel
mogelijk als een bankschroef tegen elkaar sluitend. De onderste hoektanden staan
bij het dichtklappen voor de bovenste en de punten van de bovensnijtanden staan
even voor die van de ondersnijtanden.
Hals:
Moet droog en gespierd, behoorlijk lang en vrij van keelhuid zijn en van
terzijde gezien een sierlijke bocht maken.
Schouders:
Van voren gezien moeten zij vlak omlaag hellen van hun verbinding naar de
boegpunten, zonder overdreven bolle spierontwikkeling. Van de zijde gezien
moeten zij lang zijn, goed naar achteren liggen en schuin naar achteren oplopen
van de boegpunten tot de schoft, die altijd scherp uitkomt. Een goed naar
achteren liggende schouder geeft de lange voorhand, die, verenigd met een korte
rug, zo gewenst is bij Terrier of Jachtpaard.
Lichaam:
De rug moet kort en vlak zijn, zonder schijn van slapte - de lendenen gespierd
en zeer licht gewelfd. De borstkas moet diep zijn, de voorste ribben matig
gewelfd en de andere diep en goed gewelfd. Het woord slapte is zowel bedoeld
voor het deel van de rug dadelijk na de schoft, wanneer hij enige neiging tot
inzinking toont, als voor de zijden, wanneer er te veel ruimte tussen de
achterste ribben en het bekken is. Wanneer er weinig ruimte is tussen ribben en
heupen heet de hond short in couplings, short coupled of well ribbed up. Een
Terrier kan moeilijk te kort van rug zijn, zolang zijn hals voldoende lang en de
romp voldoende lenig is. De teef mag iets meer ruimte tussen ribben en bekken
hebben dan de reuen.
Achterhand:
Moet sterk en gespierd zijn, geheel vrij van inzakken of zwakte; de dijen lang
en krachtig; de knieen goed gebogen en noch naar binnen, noch naar buiten
staand; de sprongen goed gebogen en laag bij de grond; de hielen zuiver recht en
van achteren gezien evenwijdig aan elkaar. De slechtste mogelijke vorm van
achterhand bestaat uit een korte schenkel en een steile knie, een vereniging die
maakt dat de achterbenen meer tot steun dienen dan tot voorstuwing.
Staart:
Hoog aangezet en vrolijk gedragen, maar niet over de rug gekruld. Hij moet goed
sterk en stevig en van behoorlijke lengte.
Benen:
Moeten, van welke kant ook bezien, recht zijn, het gebeente van de voorbenen
moet tot de voet toe sterk zijn. De ellebogen moeten in loodrechte stand aan de
romp aansluiten en vrij van de zijden bewegen, aan de romp aansluiten en vrij
van de zijden bewegen, zowel voor- als achterbenen moeten bij het lopen recht
naar voren worden gebracht.
Voeten:
Moeten rond, gesloten en niet groot zijn - de zolen hard en met goede eeltkussen
en de tenen matig gebogen en noch naar buiten, noch naar buiten gericht. Een
Terrier met goed gevormde voorbenen en voeten slijt zijn nagels tot kort af
doordat zij het wegdek raken, daar het
lichaamsgewicht gelijkelijk over de zolen is verdeeld.
Beharing:
Het voornaamste verschil tussen die van de glad- en draadhaarvariëteit is dat,
terwijl de eerste recht en vlak is, de laatste er ruw uitziet - daar de haren de
neiging hebben te golven. De beste vachten bestaan uit een dichte,
ijzerdraadachtige beharing - zoals kokosmatten - de haren groeien zo dicht bij
elkaar dat, wanneer men ze met de vingers scheidt, de huid niet zichtbaar wordt.
Aan de voet van deze stijve haren groeit korter, fijner en zachter haar -
onderhaar genoemd. Het haar op de flanken is nooit zo hard als dat op de rug en
achterhand. Sommige van de hardste beharingen zijn crinkly of licht gegolfd,
maar krullend haar is zeer verwerpelijk. Het haar op de boven- en onderkaak moet
enigszins hard aanvoelen en slechts lang genoeg zijn om de snuit een krachtige
indruk te laten maken en hem kenmerkend van de gladharige variëteit te
onderscheiden. Het haar op de voorbenen moet eveneens dicht en enigszins hard
zijn. De lenge van de vacht moet gemiddeld van 1,9-2,5 cm zijn op de schouder en
hals, tot 3,8 cm op de schoft, rug, ribben en achterhand. Deze maten worden meer
als een aanwijzing aan de tentoonstellers gegeven, dan als een onaantastbaar
voorschrift, daar de lengte van het haar wisselt bij verschillende individuen en
in de jaargetijden. De keurmeester moet zelf beoordelen wat een 'voldoende'
beharing is.
Kleur:
Wit moet overheersen; gestroomde, rood, leverkleurig of leiblauw is
verwerpelijk. Overigens is kleur van weinig of geen belang.
Aard:
De Terrier moet levendig zijn, snel in zijn bewegingen, doordringend van
uitdrukking, altijd vol verwachting; al is het maar voor het kleinste grapje. In
de uitdrukking van de dracht van oren en staart toont zich de aard.
Grootte:
Een stevig geraamte en kracht in een klein bestek, maar men moet hier niet uit
opmaken dat een Foxterrier plomp of in enig opzicht grof zou moeten zijn -
snelheid en uithoudingsvermogen zijn van evenveel belang als kracht. De Terrier
mag in geen geval hoog op de benen zijn, maar evenmin te laag. Hij moet als een
juist gebouwd jachtpaard staan en ondanks een korte rug met één galopsprong veel
grond beslaan. Volgens de hedendaagse vereisten mag een normale, goed evenredig
gebouwde reu niet hoger zijn dan 39 cm schofthoogte - de teef in verhouding
lager - noch mag de lengte van de rug van de schoft tot de aanzet van de staart
meer dan 30,5 cm bedragen en om door te gaan met de verhoudingen, het hoofd -
als boven gezegd - mag niet langer zijn dan 18,4 cm of korter dan 17,8 cm zijn.
Een reu van deze afmetingen moet gereed voor de tentoonstelling 8 kg wegen - een
teef zowat 0,9 kg minder - met een doorslag van ruim 0,45 kg naar boven of naar
beneden.
Gang:
Gang of lopen is d
e beslissende proef op de bouw. De Terrier moet zijn benen
recht vooruit brengen bij het lopen, door voorbenen moeten hierbij loodrecht
neerhangen en evenwijdig aan de flanken zwaaien als de slinger van een uurwerk.
De voortstuwende kracht komt voornamelijk uit de achterbenen, de volmaakte gang
wordt bereikt doordat de Terrier over lange dijen en gespierde schenkels
beschikt, goed in de knie gebogen, die een sterke afzet of stoot van de
spronggewrichten in voorwaartse richting mogelijk maken. Wanneer de hond op ons
toeloopt, moeten de voorbenen een voortzetting vormen van het rechte front, de
voeten op dezelfde afstand als de ellebogen. Staat hij, dan is het vaak moeilijk
uit te maken of een hond iets los in de schouder is, maar zodra hij loopt,
treedt de fout - zo deze bestaat - voor de dag, daar de voorbenen dan een
neiging hebben elkaar te kruisen, weave of dish.
Wanneer daarentegen de hond te stijve schouders heeft, vertonen de voeten de
neiging verder uit elkaar te raken, met een soort roeibeweging. Wanneer de
sprongen naar binnen draaien - koehakken - draaien de knieën en voeten naar
buiten, wat een ernstig verlies van de voortstuwende kracht tot gevolg heeft.
Staan de sprongen naar buiten, dan heeft hij de neiging de achtervoeten te
kruisen, wat een lompe waggelgang tot gevolg heeft.
Opmerking:
De reuen moeten twee normaal ontwikkelde, volledig in het scrotum ingedaalde
testikels hebben.
( Informatie bron Foxterrier Site )





