Ras: Grote Zwitserse Sennenhond
Oorsprong: Zwitserland
Gehouden als: Waak en gezelschapshond
Grootte: Reuen 65-72 en teven 60-68 cm
Gewicht: 59-61 kg
Kleur: Zwart met roestbruine en witte aftekeningen
Vachtsoort: Stokharig met een dichte onderwol
Gem. Leeftijd: 10-11 Jaar
Herkomst:
De geschiedenis van de fok van de grootste der vier Sennenhondenrassen begon
in 1908 op een hondententoonstelling in Langenthal. Daar bracht
Franz
Schertenleib een grote kortharige Sennenhond voor, Bello v. Schlossgut.
De keurmeester, prof. Albert Heim, herkende in hem de vroegere inheemse boeren-
en slagershond en gaf hem de naam: "Grote Zwitserse Sennenhond".
Schertenleib ontdekte nog een paar Grote Zwitsers, waaronder twee teven, en
maakte hiermede het begin van de fok mogelijk.
In 1912 werd in Zwitserland de rasvereniging voor de Grote Zwitsers Sennenhond
opgericht. Op een heel smalle fokbasis ontwikkelde zich de raszuivere fok,
waarbij tot in de dertiger jaren honden zonder exacte afstamming werden
toegevoegd.
Na de tweede wereldoorlog kreeg het ras langzamerhand ook in het buitenland de
nodige belangstelling. In ons land werd de eerste Grote Zwitser in 1954
geïmporteerd.
Karakter:
De Grote Zwitserse Sennenhond is een hond met een gemiddeld temperament, die
ondanks zijn grootte over flink wat energie en uithoudingsvermogen beschikt. Hij
heeft een evenwichtig en zelfverzekerd karakter.
Doorgaans gedraagt hij zich vriendelijk, als het menens is bewijst hij echter
een betrouwbare, onomkoopbare waker en beschermer te zijn.
Het is een hond die nauw contact met zijn baas nodig heeft om zijn goede
eigenschappen te ontwikkelen. Hij is over het algemeen rustig, oplettend en
gemakkelijk in de omgang, als hij tenminste van kleins af aan consequent
opgevoed wordt. Men kan hem dan overal mee naar toe nemen,
wandelingen, vakantie enz.
Als kennelhond is hij beslist niet geschikt, als gezinshond des te meer. Zijn
indrukwekkende uiterlijk en zijn diepe stemgeluid maken hem tot een goede
waakhond, die niet agressief hoort te zijn.
Met een Grote Zwitser kan goed gewerkt worden, zij het dat men een paar
eigenschappen zal moeten accepteren. Het is geen harde hond; wie probeert met
geweld de hond tot goed prestaties te krijgen komt bedrogen uit. Met liefde en
een gezonde mate van autoriteit kan men echter veel bereiken. Wie een snel
correct werkende hond wenst moet geen Grote Zwitser kiezen.
Gezondheid:
Helaas is ook de Grote Zwitserse Sennenhond een ras dat met gezondheidsproblemen
kampt.
Gelukkig hanteert de rasvereniging een goed fokbeleid zodat de honden die via de
rasvereniging gefokt worden zo weinig mogelijk risico lopen op
gezondheidsproblemen.
Dit houd in dat de ouderdieren waarmee gefokt word aan allerlei eisen moeten
voldoen.
Zo zijn deze ouderdieren allemaal gerontgend op Heupdysplasie, Elleboogdysplasie
en Osteochondritis (OCD aan het schoudergewricht). Daar komt bij dat zij ook
allemaal met goed gevolg een gedragstest doorlopen hebben.
De Grote Zwitser is niet vrij van oogproblemen zoals distichiasis, entropion,
ectropion, en cataract. De rasvereniging is dan ook bezig met het opzetten van
een verplicht oogonderzoek.
Ook epilepsie kan voorkomen bij een Grote Zwitserse Sennenhond.
Mensen die een pup via de rasvereniging willen aan schaffen zullen geduld moeten
hebben. De wachtlijsten zijn vaak lang.
Via andere wegen is er vlugger aan een hondje te komen. Maar een hond haal je in
huis voor heel wat jaren hondenplezier. Daarom is het zeer
zeker de moeite waard
om te wachten op een puppie gefokt volgens de regels van de rasvereniging zodat
u nog jaren gezond plezier met uw hond kunt beleven.
Ook hier geld: haastige spoed is zelden goed.
Rasstandaard:
Doel van de fok:
Grote, robuuste, beweeglijke hond van een zwarte grondkleur met helder
roestbruine en witte aftekening. Harmonisch en fraai van bouw en kleuren. Een
opgeruimd, moedig en trouw karakter. Geschikt voor waak-, gebruiks-, gezelschap-
en trekhond. Een ruim en regelmatig gangwerk, getuigend van uithoudingsvermogen
zowel in stap als in draf.
Hoofd:
In goede verhouding tot het lichaam, krachtig doch niet zwaar, de lengte van
de achterhoofdsknobbel tot de ogen en van de ogen tot de neuspunt is ongeveer
gelijk. Vlakke, brede bovenschedel met lichte groef. Lichte stop. Normale, niet
ingevallen noch te sterk ontwikkelde bakken. Neusrug breed en recht met meestal
een lichte welving vlak voor de neus. Snuit krachtig, mag noch van boven, noch
van opzij een spitse indruk geven. De lippen dienen droog en gesloten te zijn.
Middelgrote, driehoekige oren, die tamelijk hoog aangezet zijn. In rust liggen
ze vlak tegen het hoofd, bij opwinding worden ze naar voren gedraaid. Van binnen
en van buiten zijn zij goed behaard.
Hals:
Krachtig, gespierde middellange hals zonder losse keelhuid.
Romp:
Diepe, brede borst met een duidelijke voorborst. Rond-ovale doorsnede van de
ribbenkast, niet vlak doch ook niet tonvormig. Schoft hoog en lang. Krachtige,
rechte, niet te lange rug, brede en sterke lendenen en een lang en breed kruis
dat in een lichte, mooie, ronding naar beneden afloopt.
Buik en flanken mogen
noch opgetrokken, noch gevuld zijn. De verhouding schofthoogte tot romplengte,
gemeten van boeg- tot zitbeen, dient ongeveer 9:10 te zijn.
Ledematen:
Een lang, krachtig en schuin gesteld schouderblad, dat een stompe hoek met
het opperarmbeen maakt, vlak tegen de romp aanliggend en goed bespierd. Het
onderarmbeen moet krachtig en, van alle zijden bezien, recht zijn, met slechts
lichte vering in de polsen. Een breed, krachtig en goed bespierd dijbeen.
Tamelijk lang bovenbeen dat goed gehoekt ten opzichte van het lange onderbeen
dient te staan. Krachtige en brede spronggewrichten. De voeten dien vrij rond,
kort, goed aangesloten en gebogen te zijn, met krachtige en korte nagels. De
wolfsklauwen (hubertusklauwen) aan de achterbenen, dienen vroegtijdig, de 2e of
3e dag na de geboorte verwijderd te worden.
Staart:
Tamelijk zwaar, tot het spronggewricht reikend, en in rust hangend gedragen.
Bij het gaan en opwinding wordt deze hoger en licht opgebogen gedragen, doch
nooit met een krul op de rug.
Beharing:
Stokhaar, kort haar is toelaatbaar. Beide echter met dichte onderwol voor
een goede bescherming tegen de weersomstandigheden.
Kleur:

Zwarte grondkleur met helder roestbruine en symmetrische witte aftekeningen.
Het bruin altijd tussen het zwart en het wit. Bruine aftekening boven de ogen (vieräugelflecken),
op de bovenarm aan weerszijden van de borst en aan de benen. Bruin zijn ook de
binnenzijde van het dijbeen, de onderzijde van de staart en de binnenkant van de
oren binnen de zwarte rand. Witte aftekeningen als bles op het voorhoofd,
doorlopend ter weerszijden van de voorsnuit, op de borst, aan de voeten en aan
de staartpunt. Witte nekvlek en halsring zijn toegestaan. De neus en de lippen
dienen altijd zwart te zijn.
Schofthoogte:
Voor reuen: 65-72 cm. voor teven 60-68 cm.
( Informatie bron van de Weiakkers )





