U bevindt zich hier: I IJslandse Hond

Ras: IJslandse Hond
Andere naam:
Islandsk Farehond, Friaar Dog en IJslandse Hond
Oorsprong:
IJsland
Gehouden als:
Hoeden en gezelschapshond
Grootte:
Reuen 42-48 cm en teven 38-44 cm
Gewicht:
9-14 kg
Kleur:
Zwart, Katanje, gebroken wit en ree-bruin
Vachtsoort:
Dikke vacht met ondervacht
Gem. Leeftijd:
12 Jaar

Nieuwe pagina 1

Rasbeschrijving:

Aard:

De IJslandse Hond is een prettige, ijverige en handelbare hond. Het is een intelligente hond die snel leert (vaak sneller dan de baas), zowel positieve als negatieve dingen.
Hij is heel sociaal naar mensen (volwassenen en kinderen), een goede socialisatie en opvoeding van de hond is hierbij van groot belang, evenals de begeleiding van de ouder naar het kind. Leer kinderen hoe ze met een hond moeten omgaan. Door zijn oorspronkelijke werk als drijver van vee blaft hij veelal tegen rennende dieren.

Hij heeft nauwelijks jachtinstinct, maar vanwege zijn drijfinstinct moet al van jongs af aan worden voorkomen dat hij fietsers, joggers, katten e.d. najaagt. Ook gaan veel IJslandse Honden luid blaffend achter vogels aan, dit komt omdat ze in IJsland de lammeren tegen grote roofvogels moesten beschermen. Besteedt vanaf het begin veel aandacht en training aan zijn drijfinstinct; de IJslandse Hond is op IJsland een zelfstandig werkende hond en zal, wanneer hij daarin onvoldoende begeleid wordt, zeker het voortouw nemen wanneer hij het idee heeft dat er werk aan de winkel is.
Tijdens een wandeling hoeft de baas maar zelden de hond te roepen. Door zijn herdersinstinct wil hij zijn baas niet kwijt raken en blijft daarom zelf in de buurt.

Hij is waaks en kondigt bezoek veelal blaffend aan. De neiging tot blaffen laat zich nauwelijks onderdrukken, maar de hond kan geleerd worden te stoppen met blaffen als de baas daarom vraagt.
Door zijn duidelijke lichaamstaal en onbedorven gedrag kan de IJslander het over het algemeen goed met andere honden vinden, maar sommige reuen kunnen zich dominant gedragen t.o.v. andere reuen. Ook hierbij is een goede socialisatie en begeleiding van groot belang. De IJslandse Hond is altijd opgewekt, attent, vriendelijk, levendig en werkt graag, sterker nog, hij heeft dit zelfs nodig.

Biedt u hem te weinig bezigheden, dan kan hij zich ontpoppen tot een nerveuze, blafferige hond.
Hij is dol op menselijk gezelschap, hij volgt de baas overal en slaapt aan je voeten. Daarom is het voor de IJslander heel moeilijk een groot deel van de dag alleen te zijn. Hij zal er echt ongelukkig van worden. Om dezelfde reden kan een IJslandse Hond niet in een kennel worden gehouden. Wel kan men hem leren dagelijks 3 à 4 uur alleen te zijn, mits men dit van jongs af aan rustig opbouwt en dit gemis compenseert met aandacht en beweging.
Andere dieren die tot zijn gezin behoren zal hij accepteren en beschermen als hij er van jongs af aan mee is opgegroeid.


Gebruiksmogelijkheden:
Door zijn gevoelige aard is de IJslandse hond absoluut ongeschikt voor mensen die niet consequent kunnen opvoeden of opvliegend en/of hardhandig van aard zijn. Een training gebaseerd op beloning van gewenst gedrag past het best bij de IJslandse hond. Daarbij horen een clickertraining en andere soortgelijk trainingen.

Daar de IJslandse hond een sterke wil heeft om met zijn baas bezig te zijn is hij zeer geschikt voor allerlei sportieve bezigheden, zoals flyball, behendigheid, doggydancing, maar ook lange wandelingen. Ook "geestelijke bezigheden" zoals zoekspelletjes, gehoorzaamheid en zelfs speuren (naar mensen) liggen hem zeer goed.

Verschijning:
Het uiterlijk van de IJslandse hond heeft de kenmerken van de bekende poolrassen: opstaande oren en een krulstaart. Het is een middelgrote hond: ideale hoogte reu 46 cm, ideale hoogte teef 42 cm. De staande hond is van opzij gezien rechthoekig, iets langer dan hoog.
Er is een duidelijk verschil in verschijning tussen reuen en teven. De vacht bestaat uit een wollige ondervacht en een water- en vuilafstotende bovenvacht, die kort-, middel- of langharig kan zijn. De dik behaarde staart wordt trots in een sierlijke krul op de rug gedragen. Alle kleuren zijn toegestaan, maar zwarte honden moeten witte/bruine aftekeningen hebben. Hele witte honden zijn niet toegestaan. Eén kleur moet de hoofdkleur zijn. Een witte bles en witte markeringen op de borst, punt van de staart, poten en tenen komen regelmatig voor. De meest voorkomende kleuren zijn rood, zwart, black/tan en crème. De (vaak dubbele) wolfsklauwen aan de achterpoten hebben op IJsland een functie, n.l. een beter houvast op de gladde rotsen en in de sneeuw. De bewegingen zijn licht, vrij en gemakkelijk.

Verzorging:
Het zijn bijzonder schone honden, ze wassen zichzelf regelmatig en zien er altijd keurig verzorgd uit. Een echte wasbeurt is zelden nodig. Na een boswandeling kan de hond er vreselijk uitzien, maar laat hem drogen en hij schudt alles weer van zich af. Ze hebben geen "hondenlucht" en zo nu en dan licht borstelen is voldoende. In de ruiperiode (reuen 1x per jaar, teven 2x per jaar) moeten de losse haren grondig met een borstel verwijderd worden. Regelmatig moeten de nagels van de wolfsklauwen, een raskenmerk dat niet verwijderd mag worden, worden geknipt. De nagels komen bij het lopen niet op de grond en slijten dus niet, ze groeien en krullen om. De hond kan ermee blijven hangen en de klauwen kunnen inscheuren. De IJslandse Hond is een gezonde, robuuste hond. Een goed verzorgde hond komt in de regel alleen bij de dierenarts voor zijn entingen en behoudt tot op hoge leeftijd, 13-14 jaar is geen uitzondering, zijn vitaliteit. Belangrijk recept voor een goede gezondheid is voldoende beweging, liefst zo'n 1½ á 2 uur per dag, hoewel hij het veel langer kan volhouden !!
Hoewel de IJslandse Hond door zijn dubbeldikke vacht heel goed bestand is tegen extreme koude, warmt hij zich graag in het zonnetje.
Door de groeiende populariteit van het ras hebben een aantal fervente liefhebbers in 1991 de "Vereniging de IJslandse Hond in Nederland" opgericht. In maart 1999 verkreeg de vereniging zijn definitieve erkenning door de Raad van Beheer.
In 1996 besloten enkele landen samen te gaan werken om dit schitterende, oude ras te behouden. Deze landen zijn: het moederland IJsland, Noorwegen, Zweden, Finland, Denemarken, Nederland en Duitsland.


Rasstandaard:

Kort historisch overzicht:
De IJslandse Hond, de enige inheemse hond in IJsland, werd door de Vikingen die IJsland koloniseerden (874-930) meegebracht. De hond was voor de boeren onmisbaar bij het drijven en hoeden van de veestapel en zijn manier van werken heeft zich goed aangepast bij het landschap, de landbouwontwikkelingen en de harde levensomstandigheden van de IJslanders door de eeuwen heen.
De laatste decennia is de populariteit van de IJslandse Hond toegenomen en ondanks zijn kleine populatie denkt men niet dat er gevaar voor uitsterven is.

Algemene verschijning
:
De IJslandse Herdershond is een Noordelijke Spitshond, iets kleiner dan middelgroot, met rechtopstaande oren en een gekrulde staart. Van opzij gezien is de hond rechthoekig; de lichaamslengte vanaf de schoudertop tot aan het uiteinde van het heupbeen is groter dan de schofthoogte. De diepte van de borstkas is gelijk aan de lengte van de voorbenen. Zijn uitdrukking is zacht, intelligent, zelfverzekerd en veelvuldig lachend. Er zijn twee soorten vachten, lang en kort, maar in alle gevallen dicht en effectief waterafstotend. Er is een duidelijk verschil tussen de geslachten.
De IJslandse Hond is van nature waaks en groet bezoekers met enthousiasme zonder agressief te zijn. Zijn jachtinstinct is zwak. De IJslandse Hond is vrolijk en vriendelijk, hij is nieuwsgierig, speels en moedig.

Hoofd:
Het hoofd is krachtig gebouwd met strakke huid. De schedel is iets langer dan de snuit. Van boven en opzij gezien is het hoofd driehoekig.

Schedel:
Enigszins gewelfd.

Stop: Duidelijk uitgesproken maar niet steil of hoog.

Neus: Zwart van kleur, behalve bij chocoladebruine en sommige beige honden.

Snuit: Goed ontwikkeld, tamelijk kort en recht, gelijkmatig toelopend naar de neus, en vormt van boven zowel als van opzij gezien een stompe driehoek.

Lippen: Strak aangesloten, zwart, behalve donkerbruin bij chocoladebruine en crème honden.

Gebit: Volledig schaargebit.

Wangen: Vlak

Ogen: Middelgroot en amandelvormig. Donkerbruin, maar iets lichter bij chocoladebruine en crème honden. De oogleden moeten zwart zijn behalve bij chocoladebruine en crème honden.

Oren: Middelgroot, rechtopstaand, en bijna een gelijkzijdige driehoek. De randen zijn stevig en de top een beetje afgerond. Zeer beweeglijk, reageren attent op geluid en laten de gemoedstoestand van de hond goed zien.

Hals:
van gemiddelde lengte, sterk, enigszins gewelfd, huid strak (droog (zonder enige losse huid)) en het hoofd moet hoog gedragen worden.

Lichaam:
Rechthoekig en krachtig. Lengte in verhouding met de totale verschijning.

Rug: Sterk, gespierd en recht.

Borstkas: Lang en diep met goed gewelfde ribben.

Lendenen: Gespierd en breed

Kruis: Enigszins kort, breed, rond en goed gespierd.

Buik: Licht opgetrokken.

Staart
: Hoog gedragen en gekruld op de rug.

Benen
:
Voorbenen: Van voren gezien moeten de voorbenen recht zijn, parallel en sterk. Normaal gehoekt.

Schouders: Schuin en gespierd.

Hubertusklauwen: Mogen dubbel zijn.

Voeten: Enigszins ovaal, tenen gewelfd en dicht bij elkaar gelegen en de voetkussens stevig.

Aachterbenen: Van achteren gezien parallel, recht en sterk. Normaal gehoekt.
Dijen: Breed en goed gespierd.
Hubertusklauwen: Goed ontwikkelde, dubbele Hubertusklauwen zijn wenselijk.
Voeten: Zie voorbenen.

Gangwerk
: De hond beweegt zich krachtig, snel en moeiteloos, en vertoont goed uithoudingsvermogen.

Vacht
: Dubbele vacht (bovenvacht en ondervacht), dik en zeer waterafstotend. Er zijn twee variëteiten:
*Korthaar: Bovenvacht van gemiddelde lengte en enigszins hard, ondervacht dicht en zacht. De vacht is korter op het hoofd, snuit, oren, voorzijde van de benen, maar langer op nek, hals, schoft, borst, achterzijde van de voorpoten en het bekkengebied. De staart is dichtbehaard en de lengte van de vacht is in overeenstemming met de rest van de vacht.
*Langhaar: Bovenvacht is meer dan middellang en enigszins hard, ondervacht dicht en zacht. De vacht is korter op het hoofd, snuit, oren en de voorzijde van de benen, maar langer op de nek, hals, schoft, borst, achterzijde van de voorpoten en het bekkengebied. De staart is dichtbehaard en de lengte van de vacht is in overeenstemming met de rest van de vacht.


Kleur
: Vele kleuren zijn toegestaan, maar één kleur moet overheersen. De hoofdkleuren zijn:
· Rood (tan) in vele variëteiten, van lichtrood tot donkerrood.
· Beige (crème).
· Chocolade bruin.
· Grijs.
· Zwart.
Wit gaat altijd samen met de overheersende kleuren. De meest voorkomende witte markeringen zijn: bles, een deel van het gezicht, kraag, borst, punt van de staart, en sokken van verschillende lengten. Het komt vaak voor dat de hoofdkleur lichter is onder de hond van hals tot staart. Op rode en grijze honden komen zwarte punten soms voor op de bovenvacht en zelfs hele haren. Zwarte (driekleur) honden hebben een zwarte vacht, witte markeringen als bovengenoemd, traditionele markeringen van een van de verschillende kleuren rood op de wangen, boven de ogen, (wenkbrauwen), en op de benen. Ook mogen plekken van de bovengenoemde kleuren op een witte achtergrond (bont). Het is niet wenselijk dat wit de overheersende kleur is.

Maat
: De ideale maat is:
Reuen : 46 cm
Teven : 42 cm

Fouten
: Iedere afwijking van bovengenoemde punten is een fout en moet beoordeeld worden in de juiste verhouding tot de ernst van de fout.
Een zwarte mantel of een zadel samen met een rode of een grijze hoofdkleur.

Eernstige fouten
:
- Geen Hubertusklauwen.
- Gele ogen.
- Ronde en uitpuilende ogen.

Opmerkingen
: Reuen moeten twee duidelijk normale testikels hebben die volledig in het scrotum zijn ingedaald.

( Informatie bron De IJslandse Hond )