Ras: Kwartelhond
Andere naam: Duitse Spaniël en Deutcher Wachtelhund
Oorsprong: Duitsland
Gehouden als: Jacht en gezelschapshond
Grootte: Reuen 48-54 cm en teven 45-51 cm
Gewicht: 20-30 kg
Kleur: Bruin en Bruin/wit
Vachtsoort: Lang, ruig en dik golvend haar, met ondervacht
Gem. Leeftijd: 12-14 Jaar
Kenmerken:
- Recht gedragen staart
- Dicht bij elkaar staande tenen
- Amandelvormige ogen
- Schedel en snuit even lang
- Korte rug
Herkomst: Zeer oud Duits ras, dat al eeuwen bestaat en nog steeds gebruikt wordt om het wild uit de dekking op te stoten. De eerste honden waren bruin (soms met witte aftekeningen) en wit met bruin, soms ook met tanaftekeningen op hoofd en benen. Later kwamen er ook bruinschimmels. Rudolf Friess, die gedurende een lange periode veel invloed heeft gehad op de fokkerij, introduceerde de kleurensplitsing tussen de eenkleurig bruine en bruinschimmel honden waardoor hij, ondanks de smalle fokbasis, het ras vrij wist te houden van inteeltproblemen. De kleurensplitsing had ook te maken met de onderling verschillende geaardheid van de honden. De bruine honden werkten voor de voet en dreven het wild naar de geweren, terwijl de bruinschimmels meer terrein namen en meer geschikt waren om een spoor uit te werken. Tegenwoordig is dit verschil er niet meer en vinden kruisingen plaats van schimmels en eenkleuren, hoewel de kleurensplitsing nog wel wordt gehandhaafd om de fokbasis zo breed mogelijk te houden.
Algemeen Voorkomen: Middelgrote, langharige, zeer gespierde jachthond met een adellijk hoofd en stevige botten. Hij is rechthoeking van model maar nooit hoogbenig.
Vacht: Vlak aanliggend, meest gegolfd, soms gekruld (astrakan) of een gladde lange beharing met een dichte ondervacht. Het haar mag niet te lang, dun of zijdeachtig zijn. Goede bevedering aan benen, buik en staart, vaak een kraag. De oren zijn bedekt met krullen of dicht gegolfd haar dat langer is dan het oor zelf. Tussen de tenen dicht maar niet te lang haar. Twee kleurvariëteiten: eenkleurig bruin of rood, vaak met witte of gespikkelde aftekeningen op borst en tenen, en bruinschimmel of roodschimmel, waarbij de grondkleur bruin of rood vermengd is met witte haren; vaak is het hoofd bruin of rood en zijn er platen of een zadel op de rug. Bij beide kleurvariëteiten kunnen tankleurige aftekeningen boven de ogen, op de wangen, benen bij de staart voorkomen.
Gebruik: Allround jachthond, speciaal voor dicht begroeid en waterrijk terrein. Kan goed een spoor uitwerken, jaagt luid, apporteert graag, ook uit het water en is een goede verdelger van ongedierte. Als hij goed is getraind zal hij zelfstandig, maar onder appèl, jagen.
Aard: Levendige, gepassioneerde jachthond, vriendelijk, zelfverzekerd, heel volgzaam en inschikkelijk, niet nerveus of agressief.
Bijzonderheden: De middellange vacht is gemakkelijk in het onderhoud en heeft behalve regelmatige borstel- en kambeurten geen bijzondere verzorging nodig.





