Ras: Lakeland Terriër
Oorsprong: Groot-Brittannië
Gehouden als: Jacht en gezinshond
Grootte: Maximaal 37 cm
Gewicht: Reuen ong. 7,7 kg en teven 6,8 kg
Kleur: Black and tan, roodgrijs, rood, tarwekleurig, leverkleurig,
bleu and tan, blauw en zwart
Vachtsoort: Dicht hard en waterafstotend
Gem. Leeftijd: 13-14 Jaar
Kenmerken:
- Hoog gedragen staart
- Krachtige kaken
- Oren hangen naar voren
- Donkere ogen
- Korte sterke rug
Herkomst: Een werkras ontstaan in het Lake District (Noordwest Engeland). Een hond met voldoende beenlengte om de vossen te volgen over de rotsrichels. Kort na de Eerste Wereldoorlog kreeg hij zijn huidige naam. Door de geïsoleerde ligging van de streek ontstond al snel een vast type. In de jaren dertig van de vorige eeuw erkend door de Engelse Kennel Club.
Algemeen voorkomen: Compacte, krachtige, evenwichtige en robuuste hoogbenige Terriër met een scherpzinnige uitdrukking Sterke, vrij korte rug en stevige botten. De V-vormige oren zijn relatief klein. Typerend is dat bij het lopen de voor- en achterbenen recht vooruit en parallel bewegen.
Vacht: De waterdichte vacht is dik en heeft een boven- en ondervacht. Kleur: black and tan, blue and tan, rood, tarwe, roodgrijs, lever, blauw of zwart. Mahonie of donker tan is ongewenst.
Gebruik: Gefokt als pure werkhond voor met name de jacht op de vos. Nu geliefd als familie- en tentoonstellingshond.
Gezondheid: Geen rasgebonden afwijkingen bekend.
Aard: Vrolijk, scherpzinnig, niet bang, alert, zelfverzekerd en trouw aan zijn eigenaar. Vriendelijk voor kinderen.
Bijzonderheden: Behoort minimaal tweemaal per jaar getrimd te worden; natrimmen na circa zeven weken. Regelmatig kammen en borstelen.





