Ras: Maltezer
Andere naam: Bichon Maltais
Oorsprong: Mediterrane regio
Gehouden als: Gezinshond
Grootte: Reuen 21-25 cm en teven 20-23 cm
Gewicht: 3-4 kg
Kleur: Wit
Vachtsoort: Vacht is dicht en zijdeachtig zonder ondervacht.
Gem. Leeftijd: 14 Jaar
Rasstandaard Maltezer:
De FCI neemt als land van oorsprong het eiland Malta aan en is hierin vrij
zeker juist, maar ook is op Melita, aan de Adriatische kust, en op een
gelijknamige plaats op Sicilie gewezen. Het vroege voorkomen als duurbetaalde
vertroeteling der vrouwen (Aristoteles) in Griekenland echter pleit voor het
eiland Malta. Strebel ziet in de Berghond het ras, waar van de Maltezer de
dwergvorm zou zijn. Gravin Vom Hagen komt daardoor tot de Tibetaanse Mastiff,
Tibetaanse Terrier en Lhasa Apso. In de middeleeuwen beleefde de Maltezer een
nieuw bloeitijdperk. In Engeland bleef hij in de gunst tot het begin der 19e
eeuw. Manilla-, Havanna-, Florida-, en Leeuwhondje, Bolognezer en Las
Palmashondje waren waarschijnlijk alle uit de Maltezer gefokt. De F.C.I. meende
een eind aan de verwarring te kunnen maken door alleen de Maltezer te erkennen.
Eerst kwam echter de Bolognezer terug. Thans zijn ook erkend het Leeuwhondje,
het krulharige Leeuwtje en de Havanees. In het Frans noemt men hen Bichons
Algemeen
beeld: Klein formaat, vrij lang lichaam. Bedekt met zeer lange, witte vacht;
zeer elegant, met trotse en gedistingeerde houding van het hoofd.
Belangrijke verhoudingen: De lengte van het lichaam overschrijdt de
schofthoogte met ongeveer 38%.
De lengte van het hoofd is gelijk aan 6/11 van de schofthoogte.
Gedrag/temperament: Levendig, aanhankelijk, zeer volgzaam en zeer
intelligent.
Hoofd: De lengte van het hoofd is gelijk aan 6/11 van de schofthoogte.
Het hoofd is tamelijk breed, de breedte overschrijdt lichtelijk de helft van de
lengte.
SCHEDELGEDEELTE
Schedel: de schedel is langer dan de voorsnuit; de breedte van de
jukbeenbogen is gelijk aan de lengte van de schedel en dus groter dan de helft
van de lente van het hoofd.
In de richting van de lengte as enigszins eivormig.
De bovenkant van de schedel is vlak met een weinig ontwikkelde
achterhoofdsknobbel.
De wenkbrauwbogen (ronding van de voorhoofdsbeenderen en de omringende randen)
zijn goed ontwikkeld.
De voorhoofdsgroef is summier dat deze onzichtbaar is.
De zijkanten van de wandbeenderen zijn enigszins rond.
Stop: de voorkant van de stop is sterk aangegeven en maakt een hoek van
90°
AANGEZICHTSGEDEELTE
Neus: In het verlengde van de neusrug is de voorkant van opzij gezien
verticaal; omvangrijk met open neusgaten, die rond zijn en absoluut zwart.
Voorsnuit: De lengte van de voorsnuit bedraagt 4/11 van de lengte van het
hoofd, iets minder dus dan de helft. De onderkant is goed gevormd (fijn
besneden).
De diepte is 20% geringer dan de lengte. De zijkante van de voorsnuit lopen
parallel, maar vanaf de voorzijde gezien moet de voorsnuit niet vierkant tonen,
omdat de voorsnuit in een lichte boog aansluit op de zijkanten van de snuit.
De voorsnuit is rechtlijnig met een duidelijk gemarkeerde rimpel in het midden.
Lippen: Van voren gezien hebben de bovenlippen, daar waar ze gebonden
zijn, vorm van een open boog. Ze zijn weinig ontwikkeld in de diepte en de vage
voeg van de lippen is niet zichtbaar. De bovenlippen passen perfect bij de
onderlippen, op zo“n manier dat het onderste profiel van de voorsnuit begrensd
wordt door de onderkaak. De randen van de lippen moeten absoluut zwart zijn.
Kaken: Normaal ontwikkelt, fijn gevormd en perfect sluitend.
De onderkaak, waarvan de randen recht zijn, is nog vooruitstekend,
nog teruggetrokken.
Tanden: De rondingen van de tandbogen sluiten goed op elkaar aan; de
snijtanden sluiten aan tussen de hoektanden in een duidelijk schaargebit. De
tanden zijn wit; het gebit is goed ontwikkeld en compleet.
Ogen: Open, met levendige en oplettende expressie, groter dan verwacht.
De vorm neigt rond te zijn. De oogleden sluiten nauw aan op de oogbol. De ogen
liggen nooit diep, veeleer gelijk met het hoofd; net iets puilend en bijna
frontaal geplaatst. Ze staan goed in het voorhoofd. Van vore
n gezien mag het wit
in de ogen niet zichtbaar zijn. De kleur is donker okerkleurig, de oogranden
zijn zwart.
Nek: Alhoewel bedekt met een overvloedige vacht, is de grens van de nek
duidelijk merkbaar. De halsbelijning is gebogen. Zijn lengte is ongeveer de
helft van de schofthoogte. De hals wordt rechtop gedragen en laat geen losse
huid zien.
Lichaam: De lengte van de punt van de schouder tot punt van het zitbeen
is 38% meer dan de schofthoogte.
Toplijn: Recht tot de staartaanzet.
Schofthoogte: Komt iets boven de bovenbelijning uit.
Rug: De lengte is ongeveer 65% van de schofthoogte.
Kruis: Voorzetting van de rechte ruglijn in het verlengde van de
lendenen; erg breed en lang, met een helling die 10° lager is dan die van de
rugbelijning.
Borst: Breed; van voren gezien komt de borstdiepte iets onder de
ellebogen. Met de ribben die niet erg uitspringen. De omvang van de borstkas is
2/3 meer dan de schofthoogte. Het borstbeen is heel lang.
Staart: De aanzet in lijn met het kruis, dik bij de staartwortel en fijn
aan het uiteinde. De lengte komt overeen met 60% van de schofthoogte.
De staart vormt een enkele grote boog, waarbij de punt de romp raakt tussen de
heupen. Een naast de rug vallende staartpunt is toegestaan.
LEDEMATEN
Voorhand: in het geheel zit deze dicht tegen het lichaam, de benen staan
recht en gelijk.
Schouders: De lengte van de hond is 1/3 van de schofthoogte; schuinte 60°
tot 65° ten opzichte van het middenvlak van het lichaam; schouderbladen min of
meer verticaal
Opperarm: Langer dan de schouder, 40 tot 45% van de schofthoogte, met een
helling van 70° beneden de horizontale lijn. Moet goed aansluitend zijn, voor
het bovenste 2/3 deel tegen het lichaam; lengterichting bijna parallel aan het
middenvlak van het lichaam.
Ellebogen: Moeten evenwijdig lopen aan het middenvlak van het lichaam.
Voorbeen: Onder het lichaam geplaatst met weinig duidelijk zichtbare
spieren, botaanleg in verhouding met de gehele hond zwaar.
Middenvoet: In verticale lijn met het voorbeen bewegen. Mag niet
knobbelig zijn; rondom bedekt met lange fijne beharing.
Pols: Heeft dezelfde kenmerken als de middenvoet en door zijn geringe
lengte verticaal.
Voorvoet: Rond, gesloten en goed gebogen tenen. Alle voetkussens moeten
zwart zijn, de nagels moeten ook zwart of in ieder geval van een donkere kleur
zijn.
Achterhand: Moet in zijn geheel van een stevig beenstructuur zijn,
parallel van achter gezien, verticaal vanaf zitbeen tot de grond.
Dijbeen: Zwaar gespierd, de achterkant is rond. Loopt parallel aan het
middenvlak van het lichaam; de neergaande en voorwaartse richting is enigszins
hellend in relatie tot
het verticale vlak. De lengte is bijna 40% van de
schofthoogte en de breedte iets minder dan de lengte.
Scheenbeen: De groef tussen de pees en het been is nauwelijks merkbaar.
Schuin ten opzichte van het horizontale vlak 55°; iets langer dan de dij.
Hiel-spronggewicht: De voorwaartse hoeking van de hiel is 140°.
Hak: De afstand vanaf de grond tot de punt van de hiel is iets meer dan
1/3 van de schofthoogte. De lente correspondeert met de hoogte van de hiel en
hij is perfect rechtopstaand.
Achtervoet: Net zo rond als de voorvoet, met dezelfde karakteristiek
kenmerken.
Gangwerk: Gelijkmatig rollend, rij, met korte erg snelle stapjes in draf.
Huid: Strak om alle lichaamsdelen, gepigmenteerd met donkere vlekjes en
vlekjes van een rode wijnkleur speciaal op de rug. De omranding van de oogleden,
derde ooglid en lippen is zwart.
Vacht:
Haar: Dicht, glimmend, glanzend, zwaar vallend haar van zijdeachtige
samenstelling. Erg lang over het gehele lichaam en over de gehele lengte zonder
sporen van golven en krullen. Op de romp moet het langer zijn dan op de schoft
en het moet recht naar beneden vallen tot op de grond, als een cape, die strak
om de romp zit, zonder openingen in de vorm van bosjes, vlokken en pluis.
Bosjes, vlokken en pluis zijn acceptabel aan de voorkant, van de elleboog tot de
voet en aan de achterhand van de knie tot de voet. Er is geen ondervacht. Op het
hoofd is het haar erg lang, net zoals op de voorsnuit, op het voorgezicht waar
het zich vermengt met de beharing die de oren bedekt, Het haar van de staart
valt naar een kant van het lichaam, zodat het op de flank en op de dij tot aan
de hak reikt.
Kleur: Zuiver wit; een bleke ivoortint in toegestaan. Aftekeningen of
sporen van licht of bleek oranje schakeringen worden getolereerd, maar zijn niet
wenselijk en vormen een onvolmaaktheid.
MAAT EN GEWICHT
Schofthoogte: Reuen van 21 tot 25 cm; teven van 20 tot 23 cm.
Gewicht: 3 tot 4 kilo.
Fouten: Elke afwijking van de voorgaande punten moet als een fout worden
beschouwd en de beoordeling van de ernst van de out moet in verhouding staan tot
de mate waarin de fout zich voordoet.
- Tweezijdig scheelzien
- Lichaamslente meer dan 43% van de schofthoogte
Ernstige
fouten:
- Ramsneus
- Een uitgesproken ondervoorbijt, als deze het uiterlijk van de voorsnuit
bederft
- De maat van de reuen hoger dan 26 cm of lager dan 19 cm.
- De maat van de teven hoger dan 25 cm of lager dan 18 cm.
Diskwalificerende fouten:
- Als er duidelijk een afwijking zichtbaar is van de schedelvorm
- Totaal ongepigmenteerde neus of een andere kleur neus dan zwart.
- Bovenbijter.
- Glasoog (blauw oog).
- Totaal ongepigmenteerde oogleden.
- Staartloosheid; ingekorte staart, zowel aangeboren als gecoupeerd.
- Gekrulde vacht.
- Alle kleuren anders dan wit, met uitzondering van bleek ivoorkleurig.
- Gedeelten met verschillende kleuren, van welke omvang ook.
Opmerking: De reuen moeten twee normaal ontwikkelde, volledig in het scrotum
ingedaalde testikels hebben.
( Informatie bron v. Comoda Vivienda )





