Ras: Mastino Napoletano
Oorsprong: Italië
Gehouden als: Waak en gezinshond
Grootte: Reuen 65-75 cm en teven 60-68 cm
Gewicht: Reuen 50-70 kg en teven 42-60 kg
Kleur: Zwart, blauwgrijs, bruin en vosrood
Vachtsoort: Glanzende korte vacht, die dicht en fijn is.
Gem. Leeftijd: 9-11 jaar
Algemeen:
De Mastino Napolitano is een waak- en beschermhond bij uitstek. Hij is groot van
stuk, sterk gebouwd en stoer. Hij heeft een rustiek, maar tegelijkertijd
majestueus voorkomen. Hij is fors en moedig, intelligent van uitdrukking,
evenwichtig van aard, gewillig, en niet agressief. Hij is
ongeėvenaard in het
verdedigen van zijn baas en diens eigendommen.
Het lichaam geeft een totaalbeeld van een zware, zeer brede, uiterst robuuste
hond, waarvan het lichaam langer is dan de schouderhoogte. Hij is harmonieus in
verhouding tot zijn afmetingen en betrekkelijk evenwichtig ten aanzien van zijn
profiel. De huid is niet vastgehecht aan het onderliggende bindweefsel, maar
los, in het bijzonder aan het hoofd. Daar vertoont de huid rimpels en plooien.
Aan de hals vormt ze een keelhuid.
Hoofd:
Het hoofd is brachycefaal (kortschedelig), massief, kort, en tussen de
jukbeenderen is de schedel breed. De totale lengte van het hoofd bedraagt
ongeveer 3/10 van de schouderhoogte. De lengte van de snuit is ongeveer 1/3 van
de totale lengte van het hoofd. De schedelbreedte tussen de jukbeenderen is
groter dan de totale lengte van het hoofd. De totale schedelindex bedraagt 66.
De lengteassen van schedel en snuit lopen parallel. De huid vertoont
overvloedige plooien.
Typisch voor de Mastino zijn de in flauwe rondingen verlopende plooien vanuit de
ooghoeken naar de mondhoeken. De neus staat op een lijn met de neusrug. Van
opzij gezien moet de neus niet voor de lippen uitsteken. Van voren gezien loopt
er over de neus een loodrechte groef. De neus moet royaal zijn, met grote, goed
geopende, vochtige en brede neusvleugels. De pigmentatie varieert met de kleur
van de vacht: zwart bij zwart behaarde, donker bij anderskleurige en bruin bij
reebruine exemplaren. De neusrug is recht. De breedte moet ongeveer 20% van de
totale lengte van het hoofd bedragen, en 50% van de lengte van de neusrug. De
lippen zijn dik, vlezig, afhangend en zwaar. De bovenlippen hebben van voren
gezien een omgekeerde V-vorm. Ze zijn afhangend, waardoor de snuit van voren
gezien goed is ontwikkeld. Bovendien leveren de parallel verlopende lippen een,
van opzij gezien, vierkante snuit op. De onderlijn van de snuit wordt, van voren
gezien, door de lippen bepaald. Het dieptepunt ervan wordt echter niet door de
lippen maar door de mondhoeken bepaald, die door duidelijk zichtbare slijmhuid
worden afgetekend. De slijmhuid moet zichtbaar zijn in de spleet tussen boven-
en onderlippen. Van opzij gezien toont de onderste lijn van de snuit een gebogen
lijn, die vanaf de neus doorloopt tot onder de stop.
De kaken zijn krachtig en goed ontwikkeld, met goed op elkaar passende tanden.
De zijden van de bijzonder krachtige onderkaken neigen vooral aan de achterzijde
tot een kromming. Het voorste deel van de onderkaak moet zeer goed ontwikkeld
zijn en nooit gebogen, waardoor de lippen worden gesteund en geleid. De stop
wordt gevormd door het punt waar voorhoofdsbeen en neusrug samenvallen. De stop
moet, vanaf de neusrug gemeten, een hoek van 90° vormen. Tussen voorhoofd en
neuspunt moet de hoek 120- 130° bedragen. De lengte van de schedel moet ongeveer
2/3 van de totale hoofdlengte zijn. De breedte (dat is de afstand tussen de juk-
beenderen) moet ongeveer gelijk zijn aan de lengte. De jukbeenderen zijn zeer
goed zichtbaar en lopen ver naar buiten door, waardoor goede aanhechtingspunten
ontstaan voor kaken en kauwspieren. Van de voorkant gezien lijkt de schedel
rond. Van opzij wordt deze vorm ook benaderd, behalve op het gedeelte tussen de
oren, waar de schedel vlak is. De schedelgroef en achterhoofdsknobbel zijn
duidelijk waarneembaar
Gebit:

De tanden passen goed op elkaar. Een schaar- of tanggebit. De snijtanden van de
bovenkaak moeten met hun achterzijde de voorzijde van de snijtanden in de
onderkaak raken, of beide komen direct met de kauwvlakken op elkaar. De tanden
zijn wit, regelmatig en wat hun ontwikkeling betreft volledig en voltallig.
Oren:
Zijn in verhouding tot de schedel klein, driehoekig en ver boven de jukbeenderen
geplaatst. Liggen plat tegen de wangen. Ze moeten niet verder reiken dan tot het
midden van de kaak. Het oor staat bij de aanzet rechtop en hangt dan plotseling
naar voren.
Ogen:
Het ooglid moet goed tegen het oog liggen, dus geen ectropion of entropion. Het
geopende oog is min of meer rond van vorm maar de slappe en in overvloed
aanwezige hoofdhuid erboven maken de ogen kleiner waardoor ze ovaal van vorm
lijken. De ogen liggen diep. De kleur is afhankelijk van de beharing zwart,
grijs of bruin, maar meestal donkerder.
Lichaam:
De hals is kort, gedrongen en buitengewoon gespierd. De lengte van de hals
(gemeten in de nek vanaf de achterhoofdslijn tot aan de schoft) is ongeveer 3/10
van de schouderhoogte. De omvang van de hals in het midden gemeten, bedraagt
ongeveer 8/10 van de schouderhoogte. Ongeveer 1/3 deel vanaf.het hoofd is de
hals lichtelijk gekromd. Het onderste gedeelte heeft veel losse huid, waardoor
een keelhuid wordt gevormd die niet overvloedig mag zijn en duidelijk verdeeld
is over links en rechts.
De keelhuid begint aan de onderkaak, en reikt tot ongeveer hét midden van de
hals. De schouders moeten lang, enigszins schuin en goed van elkaar gescheiden
zijn. Ze hebben lange, sterk ontwikkelde spieren, teneinde een goede beweging te
waarborgen. De lengte is ongeveer 3/10 van de schouderhoogte. De kromming naar
horizontaal is 50-60°. Als men de romp van boven beziet staan de uiteinden van
de schouderbladen iets naar elkaar toe. Als men het rugoppervlak in aanmerking
neemt, lijken ze echter verticaal te staan. De lengte van het lichaam (gemeten
van de top van het schoudergewricht of de punt van het borstbeen tot aan het
zitbeen) moet ongeveer 10% langer zijn dan de schouderhoogte.
De borst moet breed zijn, en uitzonderlijk goed ontwikkelde borstspieren hebben.
De breedte van de borst, die door de borstkas wordt gevormd, dient aan het
onderste begrenzingpunt (tussen de ellebogen) ongeveer 40-45% van de
schouderhoogte te zijn. De punt van het borstbeen moet zich op dezelfde hoogte
bevinden als het schoudergewricht. De borstkas is breed en reikt tot de
ellebogen of iets daaronder, met een goede ronding op de halve hoogte. De
doorsnede verkleint zich enigszins om het borstbeen, zonder echter een soort
kielvorm te krijgen. De ribben zijn lang, goed gebogen, schuin en ver doorlopend
met brede tussenruimten. De laatste zwevende ribben zijn lang, schuin en goed
geopend. De omvang van de borstkas moet ongeveer 1/4 meer bedragen dan de
schouderhoogte. Voor de ronding gemeten is de omvang circa 10 cm kleiner. De
doorsnede blijft echter altijd nog 32%. De borstdiepte bedraagt ongeveer 50-55%
van de schouderhoogte.
De thoraxindex mag niet g
roter zijn dan 8, eerder iets minder. De onderzijde van
de borstkas toont van opzij gezien een uitgerekte halve cirkel, die bij de buik
licht oploopt en dan verder rechtlijnig verloopt. De rug toont van opzij gezien
een rechte lijn, die slechts door de schoft wordt onderbroken. De rug is breed.
De lengte is 32% van de schouderhoogte. Tussen de lendenen en de rug dient er
een overgang te zijn die van opzij gezien met een lichte ronding moet verlopen.
Goed ontwikkelde spieren over de gehele breedte. De lengte moet ongeveer 1/5
zijn van de schouderhoogte. De breedte moet ongeveer gelijk zijn aan de lengte,
en tussen 14,5-16 cm liggen. De buik verloopt als een voortzetting van de
borstkas aan de onderzijde bijna horizontaal. De flanken moeten in de langs
richting overeenkomen met de lendenen. De buik is groot. De flanken zijn iets
opgetrokken. Het kruis, dat de enigszins rond overlopende lijn van de lendenen
voortzet, moet breed, sterk en gespierd zijn. Het dwarsverloop tussen de beide
zijden der lendenen moet ongeveer 1,5/10 van de schouderhoogte zijn. Het kruis
dient duidelijk gevormd te zijn om aan de onderzijde van de lendenen aan te
sluiten. De lengte van het kruis moet ongeveer 3/10 van de schouderhoogte
bedragen. De kromming moet met ongeveer 30% afnemen als men de horizontale lijn
in aanmerking neemt die de voorkant van het bakken met het zitbeen verbindt.
Schouderhoogte: reuen 65-75 cm, teven 60-68 cm. Gewicht: reuen 50-70 kg, teven
ongeveer 15% minder.
Benen:
Voorhand: de bovenarm is met ongeveer 2/3 van het bovengedeelte van de romp
verbonden. Hij moet, evenals de schouders, voorzien zijn van sterke, droge en
goed ontwikkelde spieren. De hoek die wordt gevormd door het bovenarmbeen met
het horizontale vlak, bedraagt ongeveer 55-60°. De lengte van de bovenarm is
ongeveer 30% van de schouderhoogte en loopt vrijwel parallel aan de middellijn
van de romp. De onderarmen staan verticaal. Ze hebben uitzonderlijk sterk bot.
De lengte is bijna gelijk aan die van de bovenarmen. De onderlangse plooi die
wordt gevormd door de ellepijp en het spaakbeen, dient duidelijk zichtbaar te
zijn. De lengte van de onderarm tot aan de elleboog bedraagt ongeveer 5,2/10 van
de schouderhoogte. De met veel losse huid bedekte ellebogen lopen parallel aan
de middellijn van het lichaam en moeten niet te dicht tegen de borstkas
aanliggen omdat dit de aftekening van de okselholte verhindert. Ze mogen echter
ook niet naar buiten uitgedraaid zijn. De punt van de elleboog moet zich op de
loodlijn bevinden die vanaf de achterste punt van het schouderblad kan worden
getrokken. De pols moet in het verlengde van de onderarm liggen. Hij moet breed,
droog en glad zijn, zonder zichtbaar bot, behalve aan de achterzijde waar het
sesambeen uitsteekt. De middenvoeten moeten enigszins naar achteren hellen, maar
van voren gezien dienen zij de verticale lijn van de onderarm te volgen.
Van opzij gezien bedraagt de hoek van de naar achter hellende middenvoet
ongeveer 70-75°. De lengte mag niet meer bedragen dan 1/6 van de totale lengte
van de onderarm tot aan de elleboog. Achterhand: de dij is lang en breed, met
zware, duidelijk zichtbare spieren. De achterkant neigt er toe recht te zijn. De
lengte mag niet minder dan 1/3 van de schouderhoogte bedragen. De buiging is
ongeveer 60°, en vormt met de heup van achteren naar voren bijna een rechte
hoek. De verticale lijnen in aanmerking genomen dient de achterhand parallel aan
het lichaam te verlopen. Het onderbeen bestaat uit zwaar bot en sterke spieren.
De lengte ervan is iets korter dan die van het bovenbeen. De hoek bedraagt van
voor naar achter ongeveer 50-55°. De hoek die wordt gevormd door het
kniegewricht, bedraagt ongeveer 110-115°. De plooi die wordt gevormd tussen
scheenbeen en kuitbeen, moet duidelijk zichtbaar zijn. De zijden van de sprong
kunnen nauwelijks te breed zijn. Door de stand van het onderbeen wordt van voren
een stompe hoek gevormd.
De afstand van de voetkussens tot aan de sprong bedraagt ongeveer 2,6/10 van de
schouderhoogte. Van achteren bezien moeten de achterwaartse lijnen van het
spronggewricht en de achterkant van de dij in één vlak liggen. De voorste hoek
(dat wil zeggen de hoek die wordt gevormd door het onderbeen en de middenvoet)
bedraagt 140-145°. De middenvoet moet krachtig en bijna rond van vorm zijn. De
lengte moet ongeveer 1/4 van de schouderhoogte bedragen. Zowel van achteren als
van opzij gezien moet de middenvoet loodrecht zijn. Eventueel aanwezige hubertusklauwen (enkele als dubbele) moeten worden verwijderd.
Voeten:
De voorvoeten zijn ovaal, zeer groot, goed gesloten en gewelfd. De kussens zijn
droog, hard en goed gepigmenteerd. Sterk gebogen nagels. De achtervoeten zijn
gelijk aan de voorvoeten, maar niet zo groot.
Staart:
Aan de wortel krachtig, en naar de punt iets toelopend. Als de hond in rust is,
wordt de staart voor 2/3 hangend en voor het 1/3 iets naar boven gebogen
gedragen. De staart wordt nooit rechtop of over de rug gekruld gedragen. Als de
hond in actie is, wordt de staart horizontaal of iets boven de ruglijn gedragen.
De lengte van de staart is gelijk aan of iets langer dan het spronggewricht. De
staart is op ongeveer 1/3 van de lengte gecoupeerd.
Vacht:
Over het gehele lichaam veel losse huid, vooral op het hoofd, waar veel losse
plooien worden gevormd, en aan de keel, waar zich een wam vormt. Het haar moet
dicht, van gelijke lengte, glad, fijn, kort en niet langer dan 1,5 cm zijn. Er
mag op geen enkel deel van het lichaam, ook niet op de benen of op de staart,
een spoor van lang haar zijn, hoe klein ook. De vacht moet glanzen.
Kleur:
De toegestane vachtkleuren zijn zwart, grijs, blauwgrijs, bruin, reebruin en
vosrood. Alle kleuren mogen gestroomd zijn. Kleine witte aftekeningen op de
borst en op de punten van de tenen zijn toegestaan. De pigmentatie van de
opperhuid moet donker zijn, afhankelijk van de donkerste kleur van de vacht. De
kleur van de nagels en die van de voetzolen moeten altijd donker zijn.
Bijzonderheden:
Gangen: een typisch kenmerk van dit ras is het gangwerk; het is slungelachtig en
langzaam, als bij een beer; de draf is langzaam en met grote, veel bodem
bedekkende stappen; de galop komt zelden voor.
Fouten: de officiėle standaard bevat een uitgebreide foutenlijst; bijna ieder
punt uit de standaard wordt daarin op een ontkennende wijze besproken; hier
staan alleen de ernstige fouten vermeld.
Algemene fouten: gebrek aan type en afwijkende formaten, namelijk hoger dan de
maximumhoogte en meer dan 3 cm onder de minimumhoogte; scheelzien; monorchisme
of cryptorchisme.
Fouten van het hoofd: ernstig naar voren of naar achteren aflopende schedel;
duidelijk bol of hol voorhoofd, of een voorhoofd dat duidelijk te lang is en uit
balans met de rest van
het hoofd.
Fouten van de staart: afwezigheid van de gehele staart; staartloos geboren; met
te korte staart geboren; een knik.
Fouten van de vacht: witte vacht of een vacht met uitgebreide witte vlekken op
de ledematen (hoger dan de sprong, bij het achterbeen) of het hoofd; kleine
witte vlekjes op borst en buik zijn toegestaan; een totaal ongepigmenteerde
neus; totaal ongepigmenteerde oogleden; een glasoog.
Fouten van het karakter: zeer agressieve individuen (het is overigens normaal
dat de Mastino Napolitano zich niet laat betasten door vreemden) of zeer
angstige individuen; jonge dieren die nog instabiel zijn, worden op een later
tijdstip onderzocht.
Afwijkingen: bovenvoorbijten of ondervoorbijten met een onderbeet van meer dan 8
mm; afwezigheid van meer dan zes gebitselementen, het ontbreken van meer dan
twee snijtanden, één hoektand of twee kiezen.
N.B.: de geslachtsorganen dienen volmaakt en voltallig aanwezig te zijn, en een
gelijke ontwikkeling van de testikels te hebben.
( Informatie bron Mastino Napoletano Club )





