Ras: Newfoundlander
Oorsprong: Canada
Gehouden als: Gezinshond
Grootte: Reuen min. 68 cm en teven min. 63 cm
Gewicht: Reuen 64-69 kg en teven 50-54 kg
Kleur: Zwart en bruin, beetje wit is toegestaan
Vachtsoort: Lange dichte en beetje vette vacht
Gem. Leeftijd: 9-11 Jaar
Kort historisch overzicht:
Het ras ontstond op het eiland Newfoundland uit inheemse honden en de grote
zwarte berenhond geïntroduceerd door de Vikingen
na het jaar 1100. Met de komst van Europese vissers hielp een verscheidenheid
van nieuwe rassen het ras vormen en versterken,
waarbij de wezenlijke eigenschappen bewaard bleven. Met de kolonisatie van het
eiland vanaf 1610 was de Newfoundlander reeds
grotendeels in het bezit van zijn kenmerkende uiterlijk en aangeboren gedrag.
Deze kenmerken stelden hem in staat de strengheid
van het extreme klimaat en de tegenwerking van de zee bij het aan land slepen
van zware lasten te weerstaan of te dienen als
water- en reddingshond.
Algemeen voorkomen:
De Newfoundlander is zwaar met krachtig lichaam, goed gespierd en goed
gecoördineerd in zijn bewegingen.
Belangrijke verhoudingen: De lengte van het lichaam gemeten vanaf het
boeggewricht tot aan de zitbeenknobbel is groter dan de hoogte van de schoft.
Het lichaam is compact. Het lichaam van de teef mag iets langer zijn en is
minder zwaar dan dat van de reu. De afstand van
de schoft tot de onderzijde van de borst is iets groter dan de afstand van de
onderzijde van de borst tot aan de grond.
Gedrag en temperament: De expressie van de Newfoundlander weerspiegelt
welwillendheid en zachtheid. Waardig, opgewekt en creatief. Hij staat bekend om
zijn onvervalste zachtmoedigheid en rust.
Hoofd: Massief. Het hoofd van de teef is als van de reu, maar minder
massief.
Achterhoofd:
Schedel: Breed met licht gewelfd schedeldak en sterk ontwikkelde
achterhoofdsknobbel.
Stop: Duidelijk aanwezig, maar nooit geprononceerd.
Aangezicht:
Neus: Groot, goed gepigmenteerd, neusvleugels goed ontwikkeld. Kleur:
zwart bij zwarte en wit-zwarte honden, bruin bij bruine honden.
Voorsnuit: Duidelijk vierkant, diep en matig kort, bedekt met kort fijn
haar en vrij van plooien. De mondhoeken zijn zichtbaar, maar
niet te uitgesproken.
Lippen: Zacht.
Gebit: Scharend of tanggebit.
Ogen: Betrekkelijk klein, matig diepliggende ze staan ver uitéén en tonen
geen uitgezakt ooglid. Kleur: donkerbruin
bij zwarte en
wit-zwarte honden. Lichtere schakeringen bij bruine honden toegestaan.
Oren: Betrekkelijk klein, driehoekig met ronde punten, goed naar achteren
geplaatst en aanliggend tegen de zijkant van het hoofd.
Wanneer het oor van de volwassen hond naar voren wordt gebracht, dan reikt het
tot de binnenhoek van het oog aan dezelfde
kant.
Hals: Sterk, gespierd, goed in de schouders overgaand en lang genoeg om
het hoofd waardig te dragen. De hals mag geen overdadige
keelhuid tonen.
Lichaam: Het gehele skelet is zwaar. Gezien van opzij is het lichaam diep
en krachtig.
Bovenbelijning: Vlak en stevig vanaf de schoft tot aan het kruis.
Rug: Breed.
Lendenen: Stevig en goed gespierd.
Kruis: Breed, hellend onder een hoek van ongeveer 30 graden.
Borst: Breed, vol en diep met goed gewelfde ribben.
Buik- en onderbelijning: Bijna horizontaal en nooit opgetrokken.
Ledematen:
Voorhand: De voorbenen zijn recht en evenwijdig, ook als de hond in stap
gaat of langzaam draaft.
Schouders: Zeer goed bespierd en goed schuin geplaatst.
Ellebogen: Goed aangesloten aan de borst.

Middenvoeten: Iets schuin.
Voorvoeten: Groot, en in verhouding tot het lichaam mooi rond en compact
met stevige gesloten tenen. Vliezen tussen de tenen zijn aanwezig.
Achterhand: Omdat stuwkracht voor het trekken van lasten, voor het
zwemmen of om doelmatig voort te bewegen voornamelijk afhankelijk is
van de achterhand, is de bouw van de achterhand van de Newfoundlander van het
grootste belang. Het bekken moet daarom sterk,
breed en lang zijn.
Bovenbenen: Breed en gespierd.
Kniegewricht: Goed gehoekt, maar niet zodanig dat het een gedrukte
verschijning oproept.
Onderbenen: Krachtig en tamelijk lang.
Hakken: Betrekkelijk kort, goed laag, goed uiteen en evenwijdig aan
elkaar; ze draaien nooit naar binnen, noch naar buiten.
Achtervoeten: Stevig en goed gesloten. Hubertusklauwen, indien aanwezig,
dienen te zijn verwijderd.
Staart: De staart fungeert als een roer wanneer de Newfoundlander zwemt;
daarom is hij sterk en breed bij de aanzet. Staat de hond,
dan hangt de staart omlaag met misschien een lichte buiging aan het eind en
reikt tot op of iets onder de sprong. Wanneer
de hond gaat of opgewonden is, dan wordt de staart recht naar achteren met een
lichte opwaartse bocht gedragen, maar nooit
over de rug gekruid of tussen de benen gebogen.
Gang/beweging:
De Newfoundlander beweegt met goed uitgrijpen van de voorbenen en met een sterke
stuwkracht vanuit de achterhand, daarbij
de indruk gevend van moeiteloos vermogen. Een lichte rol van de rug is normaal.
Indien de snelheid toeneemt neigt de hond
naar éénsporigheid waarbij de bovenbelijning vlak blijft.
Vacht:
Haar: De Newfoundlander heeft een waterafstotende dubbele vacht. De
bovenvacht is tamelijk lang en sluik zonder krul. Een lichte
golving is toegestaan. De ondervacht is zacht en dicht, dichter in de winter dan
in de zomer, maar altijd in zekere mate aanwezig
op kruis en borst. Het haar op het hoofd, de voorsnuit en oren is kort en fijn.
De voor- en achterbenen zijn bevederd. De
staart is volledig bedekt met lang dicht haar, maar vormt geen vlag. Trimmen en
bijknippen wordt niet aangemoedigd.
Kleur: Zwart, wit-zwart en bruin.
Zwart: de traditionele kleur is zwart. De kleur moet zoveel mogelijk
egaal zijn, maar een lichte zweem van bruin is toegestaan.
Witte aftekeningen op borst, tenen en/of staartpunt zijn toegestaan.
Wit-zwart: deze variëteit is van historische betekenis voor het ras. Voor
de aftekening gaat de voorkeur uit naar een
zwart
hoofd met bij voorkeur een witte bles doorlopend tot op de voorsnuit, een zwart
zadel met gelijke aftekeningen en een zwart
kruis en het bovenste deel van de staart. De overige delen van het lichaam
moeten wit zijn en mogen een minimale "ticking"
vertonen.
Bruin: de bruine kleur loopt van chocolade- tot bronskleur. Witte
aftekeningen op borst, tenen en/of staartpunt zijn toegestaan.
Wit-zwarte en bruine honden moeten in dezelfde klasse worden voorgebracht als de
zwarte.
Grootte en gewicht:
De gemiddelde schofthoogte is
voor volwassen reuen: 71 cm (28 inches)
voor volwassen teven: 66 cm (26 inches).
Het gemiddelde gewicht is
voor reuen: ongeveer 68 kg
voor teven: ongeveer 54 kg.
Groot formaat is gewenst, maar mag niet worden bevoordeeld boven verhoudingen,
algehele "soundness", zware bouw en correct
gangwerk.
Fouten:
Iedere afwijking van de voorgaande punten moet als een fout worden beschouwd en
de ernst waarmee de fout moet worden beoordeeld
is recht evenredig met de mate van de fout.
Algemene verschijning: hoogbenigheid, gebrek aan massa.
Algemene botstructuur: plompe verschijning, fijn bone.
Karakter: agressiviteit, schuwheid.
Hoofd: smal.
Voorsnuit: puntig of lang
Lippen: geprononceerd.
Ogen: rond, uitpuilend, gele ogen, uitgezakt onderooglid
Rug: karperrug, zwakke of doorgezakte rug
Staart: kort, lang, knikstaart, gekruld uiteinde
Voorhand: zwakke middenvoet, spreidtenen, naar binnen of buiten draaien van de
voorvoeten, ontbreken van de vliezen tussen
de tenen
Achterhand: steile knieën, koehakken, O-benen, naar binnen gedraaide voeten
Gang/beweging: dribbelen, sloffen, krabben, te nauw gaan, breien, kruisen, naar
buiten of opvallend naar binnen draaien van
de voorvoeten, extreem optrekken van de voorbenen, telgang.
Haar: geheel open vacht, gebrek aan ondervacht.
Uitsluitende fouten
-slecht karakter
-boven- of ondervoorbeet, scheve kaak
-korte en vlakke vacht
-aftekening anders dan wit bij een zwarte of bruine hond
-elke andere kleur dan zwart, wit-zwart of bruin.
( Informatie bron Newfoundlander.info )





