Ras: Noorse Lundehond
Andere naam: Noorse Papegaaiduikerhond
Oorsprong: Noorwegen
Gehouden als: Gezelschapshond
Grootte: Reuen 35-38 cm en teven 32-35 cm
Gewicht: Ongeveer 7,5 kg
Kleur: Bruin met wit
Vachtsoort: Dikke bovenvacht
Gem. Leeftijd: 12 Jaar
Bijzonderheden: Het dier heeft week oorkraakbeen
De Noorse Lundehond:
De Noorse Lundehund heeft zich zelf ontwikkeld zonder ingrijpen van de mens. "Lunde"
is Noors voor papegaaiduiker en "hund" is hond. Als je naar de bouw en unieke
kenmerken van de hond kijkt, kun je zien hoe hij heeft kunnen overleven op zo'n
ruig eiland. Sinds de jacht op de papegaaiduiker verboden is, is het overleven
van het ras volledig in handen van de mens. We moeten dan ook samen proberen de
unieke eigenschappen van dit ras te behouden, anders gaan ze voor altijd
verloren. De Lundehund komt van origine van de Lofoten eilanden aan de noord-
west kust van Noorwegen. Een goede jager was net zo waardevol voor zijn eigenaar
als een melk koe.
De Lundehund is het meest interressante en ongewone ras door zijn unieke
kenmerken. Ze zijn een zoölogische rarit
eit
die minstens 6 volledig ontwikkelde tenen aan elke poot hebben. Ze kunnen hun
gehoorgang afsluiten en zijn in staat om hun hoofd achterwaarts over hun
schouders te bewegen. De poten zijn extreem flexibel en kunnen uitgestrekt
worden naar de zijkant toe. Door de extra tenen en de flexibiliteit van hun
poten hebben ze een speciale manier van lopen. Ze peddelen met hun voorpoten,
steeds kleine circels makend in de lucht.
Er bestaat een speciale band tussen de Lundehund en zijn baas. Je kan je hond
los laten zonder bang te hoeven zijn dat hij wegloopt. Ze zijn van nature "geprogrameerd"
om altijd bij je in de buurt te blijven. Ze blijven altijd op zicht- of
gehoorafstand.
De vacht heeft weinig verzorging nodig. Je hoeft hem alleen te borstelen als de
hond in de rui is. Je hoeft ze bijna nooit in bad te doen. Hun vacht schijnt
vuilafstotend te zijn. Een tot twee keer per jaar is voldoende. Alleen als je
hem op een show wilt voorbrengen moet je de witte delen afdoen.
Een Lundehund hebben is het hebben van een mix van een kat, net zo lenig, een
vos, net zo slim, en een wolf, net zo wild. Ze leren snel en gemakkelijk, ze
leren jou meer dan jij hun. De gouden regel is:"werk altijd samen met je hond,
niet tegen hem".
Lundehunden zijn heel graag bij hun eigenaar. Ze geven weinig om vreemden. Door
hun kleine formaat zijn ze heel gemakkelijk
overal mee naar toe te nemen.
De lundehund heeft 38 tanden, een "gewone" hond heeft er 42. Alle standen zijn
toegestaan op shows, behalve overbijt en een grote onderbijt.
Kleuren: verschillende tinten rood-bruin met zwarte en witte aftekening. In het
verleden had je grijs en zwart met witte aftekeing. Die kleur bestaat niet meer.
De Rasstandaard van de Noorse Lundehund:
Algemene indruk: De Noorse Lundehond is een kwadratische spitshond,
klein, verhoudingsgewijs licht, met duidelijke secundaire geslachtskenmerken.
Sterke benen met minstens 6 tenen aan alle voeten, waarvan tenminste 5 tenen aan
de voorvoeten en 4 aan de achtervoeten deel moeten nemen aan de voortbeweging
van de hond. De staart wordt ringvormig of licht gekruld over de rug gedragen,
danwel hangend. Alert, vol energie en een levendig temperament.
Hoogte: reu: 35 - 38 cm teef: 32 - 35 cm
Gewicht: reu ongeveer 7 kg. teef: ongeveer 6 kg. Aan de hond met de
vermeldde maximum maten mag geen voorkeur worden gegeven tegenover een kleinere,
voor het overige goede hond.
Hoofd: Droog, van gemiddelde breedte, wigvormig. Schedeldak lichtgewelfd,
vooruitstekende randen van de oogkas. Duidelijke, doch geen scherpe stop. Een
wigvormige snuit van gemiddelde lengte, de neusrug enigszins bol. Bij voorkeur
een schaargebit. Een tanggebit, een matige onderbeet of het ontbreken van
premolaren in zowel de boven- als de onderkaak, is vrij normaal en mag de
kwalificatie niet beïnvloeden. Iets schuinstaande oogkassen, geen uitpuilende
ogen. De iris is geel/bruin met een bredere of smallere donker-bruine ring rond
de pupil. Driehoekige oren van gemiddelde grootte, breed aan de basis, rechtop
gedragen, zeer beweeglijk. Zij hebben de byzondere eigenschap het kraakbeen rond
de gehooringang in staat is zich samen te trekken, de oorschelp op een
merkwaardige wijze te vouwen, naar boven gedraaid, naar achteren of in een
rechte hoek omhoog zodat de gehoorgang wordt gesloten.
Hals: Droog, van gemiddelde lengte, tamelijk sterk met een nogal dikke
kraag.
Lichaam: Kwadratisch. Sterke, rechte rug, verhoudingsgewijs licht hellend
kruis. Een lange borstkas van gemiddelde breedte, relatief diep en ruim, niet
tonvormig. Buiklijn iets opgetrokken.
Staart: Hoog aangezet, vrij kort met dichte beharing maar geen "vlag".
Ringvormig of lichtelijk gekruld over de ruglijn of hangend gedragen.De staart
mag niet zo gekruld zijn als bijv. bij de Noorse Buhund en Noorse Elandhond. De
punt van de staart mag niet te veel over de zijkant of langs de flank. Wanneer,
bij voorbeeld, een geur of een geluid de aandacht trekt, hangt de staart licht
gebogen naar achteren.
Voorbenen:
Niet opvallend gehoekt. Rechte onder-armen. Ovale, iets naar buiten gedraaide
voeten met tenminste 6 tenen waarvan 5 deel uitmaken van het voortbewegen van de
hond. Aan iedere voet acht voetkussens. De inwendige samenstelling van de teen
bestaat uit een driedelig en een tweedelig teengewricht,die met de
overeenkomstige pezen en spieren, de voet een sterk uiterlijk geven.
Aachterbenen: Gematigd gehoekt, sterk met gespierde boven- en onderbenen.
Ovale, met naar buiten gedraaide voeten met tenminste 6 tenen waarvan er 4
deelnemen aan de ondersteuning van de hond. Zeven voetzolen omdat de grote
middelste en de voetzool tussen teennr. 0 en 1 zijn vergroeid tot een geheel, de
middelste voetzool lijkt daardoor naar achteren verlengd te zijn. Wanneer de
hond op een normale vlakke grond staat, zullen de teenkussens gewoonlijk het
gewicht dragen. De houding
van de achterbenen is iets nauw.
Gangwerk: Licht en veerkrachtig. Het verplaatsen van de voorbenen gaat
met een karakteristieke rond- draaiende beweging. Evenwijdige achterbeen
beweging.
Vacht: Zachte ondervacht. Dichte, ruige bovenvacht. Kort op het hoofd en
de voorzijde van de benen. Overvloediger rond de hals en de achterzijde van de
dijen.
Kleur: Roodachtig bruin tot vaalrood met min of meer zwarte haarpunten,
allen met witte aftekeningen.De uitgegroeide hond heeft gewoonlijk meer zwart in
de bovenvacht dan de jonge hond.
De reuen moeten twee duidelijk normale, volledig in het scrotum ingedaalde,
testikels hebben.
( Informatie bron in pursuit of glory )





