Ras: Rottweiler
Oorsprong: Duitsland
Gehouden als: Waak, verdedigings en gezinshond
Grootte: Reuen 60-68 cm en teven 55-63 cm
Gewicht: Reuen 50 kg en teven 42 kg
Kleur: Zwart met taankleurige aftekeningen
Vachtsoort: Korte harde en middellange vacht
Gem. Leeftijd: 10-11 Jaar
Korte samenvatting van de geschiedenis:
De Rottweiler rekent men tot de oudste hondenrassen. Zijn oorsprong gaat tot
in de tijd van de Romeinen terug. Daar werd hij als herders en veedrijvershond
gebruikt. De honden trokken met de Romeinse legioenen over de Alpen, beschermden
de mensen en dreven hun vee. In de omgeving van Rottweil kwamen deze honden
samen met
inheemse honden en vond vermenging plaats. De belangrijkste taak van
de Rottweiler werd nu het bewaken en het drijven van het grote vee en de
verdediging van zijn baas en diens eigendommen. Van deze Duitse Rijksstad Rottweil kreeg hij zijn naam: Rottweiler slagershond. De veehandelaren (slagers)
fokten deze honden alleen op prestatie en bruikbaarheid voor het werk. Zo
ontstond in de loop van de tijd een uitstekende herders- en veedrijvershond, die
ook als trekhond gebruikt werd. Toen men in het begin van de twintigste eeuw
hondenrassen zocht voor de politiedienst, werd ook de Rottweiler daarvoor
getest. Al snel bleek dat de hond voor de opgaven in politiedienst gesteld,
bijzonder geschikt was. In het jaar 1910 werd hij dan ook officieel als
politiehond erkend. De Rottweilerfok streeft naar een zeer krachtige hond zwart
met roodbruine duidelijk begrensde aftekeningen, die ondanks een stoere
verschijningsvorm toch adel bezit en die bijzonder geschikt is als
geleide-verdedigings- en gebruikshond.
Algemeen verschijningsbeeld van de hond:
De Rottweiler is een middelgrote tot grote, stevige hond, noch plomp noch
licht van bouw, niet hoogbenig of iel. Zijn in de juiste verhouding staande
gedrongen krachtige verschijning verraadt grote kracht, wendbaarheid en
uithoudingsvermogen.
Belangrijke maatverhoudingen ( proporties ):
De maat der romp lengte, gemeten van borstbeen tot en met zitbeen knobbel, mag
die van de schofthoogte met ten hoogste 15% overschrijden.
Gedrag en Karakter:
In wezen vriendelijk en vredelievend en kindvriendelijk, is hij
aanhankelijk, gehoorzaam en werkwillig. Zijn verschijning verraadt oerkracht,
zijn gedrag is zelfverzekerd, evenwichtig en onverschrokken. Hij reageert met
hoge opmerkzaamheid op zijn omgeving.
Hoofd:
Schedel:
Middellang, de schedel breed tussen de oren, het voorhoofd, van opzij gezien
matig gewelfd. Achterhoofd knobbel: Goed ontwikkeld zonder sterk uit te komen.
Stop: schedelaanzet duidelijk zichtbaar.
Aangezichtsschedel:
Neus: neusrug recht, met brede aanzet en naar voren toe slechts weinig
smaller, neusspiegel goed gevormd, eerder breed dan rond, met in verhouding
grote neusgaten, altijd zwart van kleur.
Snuit: de voorsnuit moet in verhouding tot de schedel noch te lang noch te kort
zijn.
Lippen: zwart, strak aanliggend, mondhoeken gesloten tandvlees zo donker
mogelijk.
Kaken: krachtige, brede boven- en onderkaak. Wangen: jukbeenderen duidelijk
zichtbaar.
Gebit: sterk, en volledig (42 tanden en kiezen), de snijtanden van de bovenkaak
sluiten scharend over die van de onderkaak.
Ogen: middelgroot, amandelvormig, donkerbruin van kleur, oogleden goed
aansluitend.
Oren: middelgroot, hangend, driehoekig, ver uit elkaar staand, hoog aangezet. De
schedel lijkt door de naar voren hangende, goed aanliggende oren breder.
Hals:
Krachtig, matig lang, goed gespierd met een licht gewelfde neklijn, droog,
zonder wammen of losse keelhuid.
Romp:
Rug: recht, krachtig, vast. Lendenpartij kort, krachtig en diep.
Kruis: breed, middellang en verloopt met een flauwe ronding, noch recht, noch
sterk hellend.
Borst: ruim, breed en diep (ca 50% van de schouderhoogte) met goed ontwikkelde
voorborst en goed gewelfde ribben.
Buik: bij de flanken niet opgetrokken.
Staart: normale staart, gedragen in het verlengde van de bovenbelijning, in rust
iets lager hangend.
Ledematen:
Voorhand:
Algemeen: de voorbenen zijn van voren gezien recht en niet nauw geplaatst.
De onderarmen staan van opzij bezien recht. De hoek tussen schouderblad en een
horizontale lijn is circa 45 graden.
Schouders: goed geplaatst.
Bovenarm: goed tegen het lichaam liggend.
Onderarm: krachtig ontwikkeld en gespierd.
Middenvoorvoet: licht verend, krachtig, niet steil.
Voeten: rond, goed gesloten en gewelfd, voetzolen hard, nagels kort, zwart en
sterk.
Achterhand:
Algemeen: van achter bezien zijn de achterbenen recht en niet nauw
geplaatst. In natuurlijke stand vormen dijbeen en heupbeen, dijbeen en onderbeen
en onderbeen en middenvoet een stompe hoek.
Dijbeen: matig lang, breed en sterk gespierd.
Onderbenen: lang, krachtig en breed gespierd en gaan over in krachtige, pezige
spronggewrichten, die goed gehoekt zijn en niet steil.
Voeten: iets langer dan de voorvoeten, eveneens goed aangesloten, gewelfd met
sterke tenen, zonder wolfsklauwen.
Gangwerk:
De Rottweiler is een draver. De rug blijft vast en relatief rustig. de
uitvoering van de beweging is harmonisch, zeker, krachtig en soepel, met ruime
drafpassen.
Huid:
Hoofdhuid: ligt overal strak en mag bij hoge oplettendheid lichte rimpels
vormen.
Beharing:
Hoedanigheid van de vacht:
Bestaat uit dekhaar en onderwol. Dekhaar = Stokhaar, middellang, hard, dicht
en goed aanliggend. De onderwol mag niet door het dekhaar heenkomen. Aan de
achterbenen is de beharing iets langer.
Kleur:
Zwart met goed begrensde aftekeningen (brand) van een warme, roodbruine
kleur aan wangen, snuit, onderzijde hals, borst en benen, alsmede boven de ogen
en onder de staartwortel.
Grootte en gewicht:
Schofthoogte reuen : 61 tot 68 cm, 61-62=klein, 63-64=middelgroot, 65-66=groot-juiste
grote, 67-68=zeer groot. Teven: 56 tot 63 cm, 56-57=klein, 58-59=middelgroot,
60-61 groot-juiste grootte, 62-63=zeer groot, Gewicht reuen : ca. 50 kg, teven ;
ca 42 kg.
Fouten:
Alle afwijkingen van de hiervoor genoemde punten moeten als fouten aangezien
worden, de beoordeling moet in verhouding met de graad van de afwijking staan.
Totaalbeeld: Lichte, iele, hoogbenige verschijning, zwakke botten en spieren.
Kop: jachthondenhoofd, een smal, licht, te kort, lang, plomp hoofd, vlakke
schedelpartij (missende of te geringe stop).
Snuit: lange spitse voorsnuit, rams- of gespleten neus, ingedeukte of afhellende
neusrug, lichte of gevlekte neusspiegel.
Lippen: open, roze of gevlekte lippen, open mondhoeken.
Kaken: smalle onderkaak.
Bakken: sterk geprononceerde bakken (wangen).
Gebit: tanggebit.
Oren: te laag aangezette, zware, lange, slappe, naar achteren gevouwen, alsmede
afstaande en onregelmatig gedragen oren.
Ogen: lichte, open, diepliggende, te bolle alsmede ronde ogen.
Hals: te lange, dunne, zwak bespiede hals, wammen of te losse keelhuid. Lichaam:
te lang, te kort, te smal.
Borst: vlakgeribde borstkas, tonvormige borst, ingesnoerde borst.
Rug: te lang, zwakke of doorgezakte rug, karperrug.
Kruis; hellend kruis, te kort, te recht of te lang.
Staart: te hoog of te laag aangezette staart.
Voorhand: nauw of geen rechte voorbenen, steile schouder, missende of knijpende
elleboogaansluiting, te lange, te korte of steile bovenarm, zwakke of steile
midden voorvoet, spreid voeten, platte of te sterk gewelfde tenen, onontwikkelde
tenen, lichte nagels.
Achterhand: niet voldoende ontwikkelde dijen, nauwe hakken, koehakkig of O-benig,
te weinig of te sterk gehoekte gewrichten, wolfsklauw.
Huid: te veel gerimpeld.
Beharing: zacht, te kort of te lang haar, krullend haar, fouten in de onderwol.
Kleur: miskleuren, niet zuiver begrensde of te uitgebreide aftekening.
Diskwalificerende fouten:
Algemeen: duidelijke omkering van het geslachtstype (teven-type bij reuen en
omgekeerd).
Gedrag: angstige, schuwe, laffe, schotschuwe, boos- aardige, overdreven
wantrouwige, nerveuze dieren.
Ogen: entropion, ektropion, gele ogen, verschillend gekleurde ogen.
Staart: Knikstaart, gekrulde, sterk zijwaarts naar ten opzichte van de
ruglijn gedragen staart.
Gebit: bovenvoorbijters, ondervoorbijters, honden met missende premolaren of
molaren.
Teelballen: monorchide of cryptorchide reuen. Beide teelballen moeten goed
ontwikkeld, duidelijk zichtbaar in de balzak aanwezig zijn.
Beharing: uitgesproken langharige of krulharige dieren. Haarkleur die niet de
voor de Rottweiler typisch zwart met bruine tekening hebben, witte vlekken.
( Informatie bron Rottweiler.nl )





