Ras: Tjechoslowaakse Wolfhond
Andere naam: Ceskoslovensky Vlcak
Oorsprong: Voormalige Tsjechoslowaakse Republiek
Gehouden als: Gezelschapshond
Grootte: Reuen min. 65 cm en teven min. 60 cm
Gewicht: Reuen min. 26 kg en teven min.20 kg
Kleur: Wolfgrijs
Vachtsoort: Rechte dichte bovenvacht met dikke ondervacht
Gem. Leeftijd: 12-18 Jaar
Rasbeschrijving:
De Tsjechoslowaakse wolfhond is een relatief nieuw ras dat niet kan terug
kijken op een jarenlange traditie, noch op beroemde fokkers en /of eigenaren.
Toch trekt dit ras de aandacht waar ter wereld hij ook verschijnt.
Door hun afstamming (zie korte historie) staan deze honden nog heel dicht bij de
natuur
De eerst indruk is dat hij lijkt op een wolf. Met een schouderhoogte van
minimaal 65 cm voor een reu, en minimaal 60 cm voor een teef, oogt hij imposant,
zonder zwaar of grof te zijn. Zijn stokharige dichte vacht is wolfsgrauw met een
rastypisch, licht masker. Zelfbewust kijkt hij de wereld in met zijn
barnsteenkleurige licht schuin geplaatste ogen.
Zonder zijn baas met zijn ogen te volgen, weet deze hond precies waar de baas
zich bevindt en wat hij doet.Liever gebruikt hij zijn ogen om alles in de gaten
te houden, en reageert bliksemsnel op alles wat er in zijn omgeving gebeurt. Hij
weet zich perfect te oriënteren en kan zonder problemen kilometers afleggen. De
Tsjech is in staat onder alle weersomstandigheden een "zelfs urenoud" spoor te
volgen. Al deze eigenschappen maken hem tot een gebruikshond bij uitstek.
Hij is inzetbaar als bijvoorbeeld politiehond, speurhond en reddingshond. Maar
ook als familiehond slaat hij een goed figuur en gaat vol enthousiasme met zijn
baas naar de hondenclub om te trainen. Kortom kan hij in principe alles. Mits
hij daartoe gemotiveerd wordt!
De Tsjech wordt bij een consequente, maar geduldige opvoeding, een lieve
aanhankelijke en gehoorzame hond. In zijn eerste levensjaren kan hij een
doldrieste wildebras zijn en is daardoor snel afgeleid.
Door zijn energie en ondernemingslust haalt hij vaak ondeugende streken uit.
Tevens vinden zij het heerlijk om overal op te kauwen. Dit is heel natuurlijk
gedrag, alleen weet hij niet dat uw spullen daar niet tegen bestand zijn. Daarom
is het noodzakelijk dat u in het bezit bent van een flinke bench of kennel,
zodat als u even niet op hem kunt letten uw spullen veilig zijn. Geef hem
voldoende eigen, en vooral veilig, kauw- en speelmateriaal.
Over het algemeen is een Tsjech minder snel zindelijk dan een doorsnee hond.
Daardoor komen vreugde en deemoedsplasjes vaak voor. Hij toont door dit gedrag
een en al onderwerping aan u als mens .U mag hiervoor dus nooit straffen!!.
Negeer het, en doe niet te uitbundig als u thuis komt.
Soms komt de terughoudendheid van de wolf t.o.v. vreemde dingen en mensen nog
wel eens voor.
Door zijn zeer sterke persoonlijkheid kan hij dominant zijn tegenover andere
honden. Vele hebben de eigenschap het gezin, en alles wat daar bij hoort, te
beschermen. Deze beschermings / bezitsdrang kan hij ook vertonen t.o.v. uw tas,
de auto en andere zaken. Tijdens een wandeling wil hij het liefst iedereen bij
elkaar houden en loopt daarbij steeds van voor naar achter om iedereen
nauwlettend in de gaten te houden.
Kortom het is een levenslustige, aanhankelijke hond die het heerlijk vindt om
bij en met je te zijn.
Ontstaan van het ras:
In 1955 begon Ing. Karel Hartl (in het voormalig Tsjecho-Slowakije) met het
daadwerkelijk uitwerken van zijn idee om wolven met Duitse Herdershonden te
kruisen. om de werkprestatie van de Duitse Herder te verbeteren. Deze eerste
kruisingen vonden plaats in de kennels van het grenswachtstation te Libéhivice.
Op 26 mei 1958 zag het eerste nest kruisingen (hybriden) het levenslicht. Deze
pups werden uitvoerig bekeken en getest op hun tra
iningscapaciteit,
uithoudingsvermogen en karakter. Alleen de pups die voldeden aan alle eisen
werden later ingezet als fokdieren waarbij er teruggefokt werd op niet
gerelateerde Duitse herders.
Nakomelingen uit deze latere kruisingen werden al ingezet als diensthond langs
het toenmalige IJzeren Gordijn. Naast de eerste kruisingen werden ook nog andere
foklijnen tussen een Wolf en Duitse Herder opgezet. In 1983 werd het register
gesloten en werd er alleen nog gefokt met geregistreerde, Tsjechoslowaakse
Wolfhonden. In Tsjechië en Slowakije wordt ook nu nog streng geselecteerd op die
eigenschappen die de Tsjechoslowaakse wolfhond maken tot gebruikshond.
In 1982 werd de Tsjechoslowaakse Wolfhond, door de rashondenvereniging in het
voormalige Tsjechslowakije, als nationaal ras erkend. De definitieve erkenning
van het ras door de F.C.I. vond plaats in ( Mexico- 1999)
N.B.
In Nederland werd al eerder een dergelijke kruising tussen de Europese wolvin
Fleur en de Duitse Herder-reu Gerard van Fransenum -afkomstig uit het Duitse
leger- gedaan. De "schepper " Leendert Saarloos had hiermee voor ogen een ras te
fokken zonder degeneratiefouten. In 1981 is deze hond als ras door de F.C.I.
erkend onder de naam van zijn schepper de Saarloos Wolfhond.
Rasstandaard:
Algemeen verschijningsbeeld: Stevige constitutie, meer dan middelgroot, in
rechthoekige vorm is door lichaamsbouw, beweging, beharing, haarkleur en masker,
de wolf gelijk.
Belangrijke afmetingen: Lengte van het lichaam : schofthoogte = 10: 9
Lengte van de voorsnuit : lengte van de schedel = 2: 3
Algemeen verschijningsbeeld:
Stevige constitutie, meer dan middelgroot, in rechthoekige vorm is door
lichaamsbouw, beweging, beharing, haarkleur en masker, de wolf gelijk.
Belangrijke afmetingen: Lengte van het lichaam : schofthoogte = 10: 9
Gedrag en karakter: Temperamentvol, zeer actief, uithoudingsvermogen,
leergierig, Snel reagerend, onbevreesd en moedig, gereserveerd maar valt niet
zonder reden aan. Tegenover de baas toont hij buitengewone trouw. Hij is bestand
tegen alle weersinvloeden en voor alles inzetbaar.
Kop:
Symmetrisch - goed gespierd; vormt van de zijkant en van boven
bekeken een wig. Duidelijk verschil van sekse.
Bovenkant van de kop - van de zijkant en van voren bekeken is een
licht gewelfd voorhoofd herkenbaar. Geen opvallende voorhoofdsrimpels,
het achterhoofds-been is goed zichtbaar.
Stop - matig verlopend.
Neus - ovaal van vorm; zwart.
Voorsnuit - droog, niet breed, rechte neusrug.
Lippen - strak aanliggend en gesloten. De lipranden zijn zwart.
Kaak en tanden - De kaak is sterk en symmetrisch, goed ontwikkelde
tanden in het bijzonde
r de hoektanden. Schaar- of tanggebit met 42 tanden,
conform de tandformule. egelmatig geplaatste tanden.
Wangen - droog, voldoende gespierd, niet opvallend aanwezig.
Ogen - smal en schuin liggend. Barnsteenkleurig en goed gesloten
oogleden.
Oren - staand, dun, driehoeksvormig kort (niet langer dan 1/6 van de
schofthoogte). De buitenste punt van de ooraanzet en de buitenste ooghoek liggen
op een lijn. Een van de oorpunt denkbeeldige loodrechte lijn, loopt vlak langs
de kop.
Hals:
Droog, goed gespierd vormt in rust met een horizontale lijn, een hoek tot 40
Graden. De hals moet zo lang zijn, dat de neus de grond moeiteloos kan aanraken.
Lichaam:
Bovenbelijning - Vloeiende overgang van hals naar lichaam, licht
aflopend.
Schoft - goed gespierd, ontwikkeld maar mag het verloop van de
bovenbelijning niet storen.
Rug - stevig en recht.
Lendenen - kort, goed gespierd, niet breed en licht aflopend.
Kruis - kort,goed gespierd, niet breed licht aflopend.
Borst - symmetrisch, goed gespierd en ontwikkeld, peervormig met een
versmalling tot het borstbeen. De
diepte van de borst komt niet tot aan de ellebogen. De punt van het borstbeen
mag niet boven het schoudergewricht komen.
Onderbelijning en buik - strakke buiklijn, licht oplopend. Iets
ingevallen flanken.
Voorhand:
De voorbenen - zijn recht, vast, droog en nauw, met licht naar buiten
gedraaide voeten.
Schouders - het schouderblad is tamelijk ver naar voren geplaatst, goed
gespierd. Het schouderblad vormt met een denkbeeldige horizontale lijn een hoek
van 65 Graden.
Ellebogen - goed aansluitend, noch naar buiten noch naar binnendraaiend,
goed ontwikkeld en beweeglijk. Opperarm en spaakbeen/ellepijp vormen een hoek
van ongeveer 150 Graden Spaakbeen en ellepijp zijn lang, droog en recht. De
lengte van deze beenderen en de middenvoorvoet bedragen 55% van de schofthoogte.
Polsgewricht - krachtig en goed te bewegen.
Middenvoorvoet - groot, licht naar buiten gedraaid met lange, gewelfde
tenen en sterke donkere nagels.
Achterhand:
Krachtig - De achterpoten staan parallel. Een denkbeeldige loodrechte
lijn vanaf het zitbeen, loopt door het midden van het spronggewricht.
Dijbeen - lang, goed gespierd vormt met het bekken een hoek van ongeveer
80 Graden. Het heupgewricht is stabiel en goed beweeglijk.
Knie - krachtig en goed beweeglijk. Kuitbeen en scheenbeen zijn droog,
krachtig en goed beweeglijk.
Spronggewricht - droog, krachtig en goed beweeglijk.
Middenvoet - lang, droog, staat bijna loodrecht ten aanzien van de grond.
Achtervoet - langere gewelfde tenen met sterke donkere nagels. Goed
ontwikkelde voetzooltjes.
Gangwerk: Harmonisch, lichtvoetig, ruim uitgrijpende draf waarbij de
poten zich zo vlak mogelijk over de grond bewegen. Kop en hals vormen praktisch
een rechte lijn. In stap telganger.
Huid: Elastisch, strak, zonder rimpels; ongepigmenteerd.
Vacht: Gesteldheid van het haar recht, dicht aansluitend. De winter en de
zomervacht is zeer verschillend. In de winter overwegend veel onderwol, die
samen met het dekhaar, een dichte beharing van het hele lichaam vormt. Het is
noodzakelijk dat het haar, de buik, de binnenkant van het dijbeen, het scrotum,
het binnenste deel van de oorschelp en de tussenruimte van de tenen bedekt. Goed
behaarde hals.
Kleur van de vacht: Geelgrijs tot zilvergrijs met het karakteristieke
lichte masker. Licht haar ook aan het onderste deel van de hals en aan de
voorzijde van de borst. Een donkergrijze kleur met masker is toegestaan.
Fouten: Iedere afwijking van de voorgaande punten moet als fout gezien
worden, waarvan de beoordeling in de juiste verhouding tot de graad van de
afwijking moet staan. Een zware of lichte kop, vlak voorhoofd, donkerbruine,
zwarte of verschillend gekleurde ogen; grof, hoog of diep aangezet oor; een hoog
opgerichte hals in rust, een diepe houding van de hals in stand, vlakke schoft,
een a-typische ruglijn, lang kruis, te weinig of te sterk gehoekte voorhand, een
zwakke voorvoet, te weinig of te zwaar gehoekte achterhand, onvoldoende
bespiering, een lange laag aangezette en niet correct gedragen staart, weinig
masker, kort golvende bewegingverloop.
( Informatie bron Wolfhond.org en Wolfdog.org )
.





