Ras: Welsh Springer Spaniel
Oorsprong: Groot-Brittannië
Gehouden als: Jacht en gezinshond
Grootte: Reuen max. 48 cm en teven max. 46 cm
Gewicht: 16-20 kg
Kleur: Rood wit
Vachtsoort: Halflang, zijdeachtig en glanzend haar
Gem. Leeftijd: 12-14 Jaar
Voor de erkenning als ras:
Het land van herkomst is volgens Dr Caius, die in 1570 het boek Off
English Dogges schrijft, Spanje. En als hij schrijft over witte spaniels met
rode vlekken, dan denken
wij natuurlijk aan ‘onze’ Welsh Springer Spaniel. De
vroege historie van wat wij nu rassen noemen ontrafelen, is vrijwel onmogelijk.
Stamboeken bijhouden is dan nog niet aan de orde. En àls het wordt gedaan, bij
voorbeeld bij de aristocratie en aan vorstelijke hoven, dan is daarvan vaak
niets bewaard gebleven. In oude wetten van Wales, rond het jaar 300, is al
sprake van (Welsh Springer?) Spaniels. Men gaat er van uit dat emigranten vanuit
Bretagne in Frankrijk hun eigen honden hebben meegenomen naar Wales en die daar
hebben gekruist met de lokale honden. Iedereen ziet het verband tussen de
woorden Spanje, Epagneul en spaniel. En wie de Epagneul Breton
bekijkt – het Franse broertje van de Welsh Springer – ziet onmiddellijk
verwantschap.
Toch moeten wij het voornamelijk doen met veronderstellingen, met algemene
beschrijvingen in oude boeken en met oude afbeeldingen. Talrijke prenten en
schilderijen uit de 17de, 18de en 19de eeuw, zowel op het vasteland van Europa
als in Engeland, tonen spaniels, vaak ook wit-rood. Of dat de voorlopers van
Welsh Springer Spaniels zijn? We kunnen er slechts naar raden.
Meer info...
Uiterlijk:
Deze Britse jachthond is lid van de jachtspaniel familie. Hij is een
actieve, op snelheid en uithoudingsvermogen gebouwde middelgrote hond. Zijn
uiterlijk is aantrekkelijk, vooral door het vriendelijke Spanielhoofd met de
hangende oren en de zachtaardige uitdrukking in de donkere ogen. Maar ook zijn
wit met rode, halflange vacht, de steeds kwispelende staart en de kleine
sproeten op de benen en het hoofd maken hem tot één van de aantrekkelijkste
spaniels. De verdeling van de rode platen op h
et lichaam is niet voorgeschreven.
Er zijn Welshen met veel rood en met weinig en de voorkeur is een kwestie van
smaak. De zachte, sluike vacht is halflang met bevedering aan de benen, de
‘broek’ en de staart. Minimaal vier maal per jaar moet de vacht derhalve door
middel van trimmen worden onderhouden. Daarnaast volstaat regelmatig kammen en
borstelen.
Er is een aantal zaken dat een Welsh Springer onderscheidt van andere spaniels.
Allereerst de typische lendenen (‘licht gewelfd’), de vorm van de oren (‘de vorm
van een wijnblad’) en de rood-witte vacht, de enige toegestane kleuren.
Een volwassen Welsh Springer weegt tussen de circa 19 en circa 25 kilo. Deze
hond mag geen slanke, elegante spaniel zijn. Het uiterlijk van een Welsh
Springer is dat van een stevige werkhond, aan wie af te zien is dat hij een dag
in het veld kan doorbrengen. Sterk en gespierd zijn hier de trefwoorden.
Wat het formaat betreft zit de Welsh Springer Spaniel precies tussen de Engelse
Springer Spaniel (groter) en de Engelse Cocker Spaniel (kleiner) in. Hij
varieert van circa 46 tot circa 48 centimeter schofthoogte
Temperament:
Net zoals het uiterlijk van een Welsh Springer is, moet ook zijn temperament
zijn: vriendelijk, zachtaardig en betrouwbaar. De Rasstandaard zegt:
‘vriendelijk van aard, geen sporen van agressie of nervositeit tonend.’
Een Welsh is een hon
d voor sportieve eigenaren, die van een flinke wandeling
houden, in weer en wind. Alleen dan kan deze hond – bij voorkeur niet aan de
lijn - zijn grote hoeveelheid energie kwijt en zal hij in huis rustig zijn. Een Welsh Springer is een jachthond; dat betekent dat de meeste van hen afgeleerd
moet worden achter wild en andere zaken aan te jagen. Dit aangeboren
jachtinstinct, gecombineerd met een uitstekende neus, vormen een wezenlijk deel
van zijn temperament: alert, actief, intelligent en onvermoeibaar.
Een Welsh Springer is géén waakhond. Agressie of de lust tot verdedigen is in
strijd met de rasstandaard. Een pup en een jonge Welsh Springer hebben een zeer
consequente hand van opvoeden nodig, want ze kunnen enorm eigenwijs zijn, zeker
in de puberteit. Sommige Welsh Springers hebben de neiging wat verlegen of
teruggetrokken te zijn, andere daarentegen zijn extravert of brutaal. Beide
vormen verdienen de aandacht bij de opvoeding.
De meeste Welsh Springers voelen zich uitstekend thuis in het gezelschap van
kinderen of andere huisdieren, zeker als ze ermee zijn opgegroeid. Een Welsh
Springer is een familiehond, dat wil zeggen dat hij gezelschap van mensen zeer
op prijs stelt. Die eigenschap maakt het niet altijd even eenvoudig een Welsh
Springer voor een aantal uren alleen te leren zijn
Rasstandaard van de Welsh Springerspaniël:
Algeheel beeld: Een symmetrische, gedrongen hond, niet hoog op de benen, in
bouw duidelijk berekend op uithoudingsvermogen en hard werk. Hij heeft een vlot
en levendig gangwerk met veel stuwing en kracht.
Algemene kenmerken: De Welsh Springer is van zeer oude en zuivere
oorsprong. Sterk, vrolijk en zeer levendig.
Aard: Vriendelijk van aard, geen sporen van agressie of nervositeit
tonend.
Hoofd en schedel: Schedel evenredig in lengte, enigszins gewelfd, met
duidelijk aangegeven stop en goed besneden onder de ogen. Voorsnuit van
middelmatige lengte, recht, tamelijk vierkant. Neusgaten goed ontwikkeld, bruin
tot donker.
Ogen: Hazelnootkleurig of donker, middelmatig groot, noch uitpuilend,
noch diepliggend. Het onderste ooglid mag niet uitzakken.
Oren: Matig laag aangezet, dicht tegen de wangen hangend. In verhouding
klein en geleidelijk smaller wordend naar de punt, enigszins de vorm van een
wijnblad.
Gebit: Sterke kaken met een perfect, regelmatig en compleet schaargebit,
dat wil zeggen dat de boventanden vlak over de ondertanden heen sluiten en recht
in de kaak zijn geplaatst.
Hals: Lang en gespierd, zonder keelhuid, goed overgaand in schuin
liggende schouders.
Voorhand: De voorbenen z
ijn van middelmatige lengte, recht, met stevige
botten.
Lichaam: Niet lang, sterk en gespierd. Diepe borst, goed gewelfde ribben.
De lengte van het lichaam moet in goede verhouding staan tot de beenlengte.
Gespierde lendenen, licht gewelfd, goed overgaand in de achterhand.
Achterhand: Sterk en gespierd, breed met goed ontwikkelde onderbenen.
Achterbenen met stevige botten en goedgeplaatste sprongen. De kniegewrichten
matig gehoekt, noch naar binnen, noch naar buiten draaiend.
Voeten: Rond, met dikke zolen. Stevige kattenvoeten, niet te groot en
geen spreidvoeten.
Staart: Goed aangezet en laag, nooit boven de ruglijn gedragen. Wordt
meestal gecoupeerd en is levendig in beweging. *
Gangwerk: Soepele, krachtige, wijd uitgrijpende beweging, stuwend vanuit
de achterhand.
Beharing: Sluik of glad, van dichte, zijdeachtige structuur, nooit stug
of golvend. Een gekrulde vacht is zeer ongewenst. Voorbenen en achterbenen boven
de hakken matig bevederd, oren en staart licht bevederd.

Kleur: Alleen dieprood en wit.
Hoogte: reuen ongeveer 48 cm (19 inches) en teven ongeveer 46 cm (18
inches) schofthoogte.
Fouten: Elke afwijking van de voorgaande punten moet als een fout worden
beschouwd en de beoordeling van de ernst van de fout moet in verhouding staan
tot de mate waarin de fout zich voordoet.
Opmerking: De reuen moeten twee normaal ontwikkelde, volledig in het
scrotum ingedaalde testikels hebben.Sinds september 2002 geldt een coupeerverbod
in Nederland voor staarten. Deze beschrijving geldt echter ook voor niet
gecoupeerde staarten.